Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
81 , Natuurlijke historie voor de jeugd,
En 't kwispelen van zijn staart.
Zijn neus, doorgaans rond,
Staat gewoonigk in 't front
En zoo lang die maar nat en frisch is,
Is 't een bewijs, dat menheer zoo gezond als een visch is.
Een hond is iemand, die van zijn baas byzonder Teel houdt,
Dien hy, om zoo to spreken, als zijn derden vader beschouwt,
En die hem dikwijls een heele boerewoning toevertrouwt,
Waar hy door zijn blaffen bedelaars en dieven van daan weet te jagen.
En den post van portier waarneemt zonder er ooit geld voor te vragen.
Als een haas niet op zijn tellen past.
Wordt hy dikwijls door een hond verrast;
Doch een hond loopt er ook wel tegen aan,
Als men hem in do hondsdagen uit laat gaan.
Menig een blinde hond
Is verdronken, omdat hy geen zwemmen verstond:
Doch zoodra zy dit verstaan,
Kan men ze gerust uit baaien laten gaan.
Honden zijn dol op kalfslever en beenen;
Doch, volgens Esopus, loopt er zoo dikwijls een derde meê heenen.
Ook nuttigt een hond met pleizier water en droog brood;
Doch een pak slaag, daar heeft hy een broêr aan dood.
Het opzetten is ook iets, daar hy niets om geeft.
Als het maar niet begonnen wordt, terwijl hy nog leeft.
Ook blaffen honden niet langer als ze eenmaal dood zijn;
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn.
OIDIOUTEN y, D, SHOOLHEËSTER.