Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
58 De kofftj'veiling.
(Zy wou wel dat het waar was) van wijlen den heer Dadelpracht
Te oommuniceeren aan UEd. en zijn familiair geslacht.
MEVROUW,
Helaas! wat zal dat in geheel Nederland een consternatie wezen,
Als zy in de Haarlemmer courant die finale annonce lezen!
Een man, die zich in de huislijke mitsgaders menschenwaereld zoo ver-
dienstelijk heeft gemaakt! ....
Ik ben zeker, dat nu de dood zijn zoo stevige leven heeft geslaakt,
Men het gemeentebestuur niet zal kunnen beletten,
In zijn vervoering den overledene op te doen zetten.
By gelegenlieid, dat de Scbrg'Ter mj, op Highgate zQnde, het voorgaande fragment
voorgelezen, en ik hem gevraagd had, waar al die dwaasheid nn op neêr son komen,
bekende hy mj, xnlks niet te weten, als hebbende die tooneelen maar volgends den
Inim Tan *t oogenblik, en zonder bepaald plan, nedergeschreyen. Ik betnigde mqn leed-
wezen hier oyer, en spoorde hem ernstig aan, te beproeren, of het hem niet mogelgk
z^'n zoü, een schets van een drama of ander dichtstuk op te stellen, waarin (al mocht
voor *t overige het geheel zoo ongeremd en fantastisch mogelijk z^n) zich voor 't minst
eenige orde en regelmaat bevond, en die schets dan ait te werken. Hy beloofde my, te
beproeven of hy aan m^n verlangen kon voldoen, en werkelgk gaf ons gesprek geboorte
aan den „korten Inhond** van een niexiw drama, in hetwelk de tooneelen uit het voor-
afgaande fragment eenigiins gew^zigd hadden kannen worden opgenomen, doch welk
drama hy niet verder bracht dan tot op de helft van het Eerste Tooneel. Toen sch^nt
hem de last ontzonken te zQn; misschien hinderde het hem, dat het hoofddenkbeeld
van het drama niet nieaw was; misschien ook zag hj geen kans, om, gedurende vijf
bedreven, in denzelfden trant voort te schrijven, zonder zijn dichtluim te verliezen en
ign lezers te vermoeien. Het kan zgn, dat hy gelgk had in het niet toegeven aan wat
misschien een onbillijke eisch van m^ne z^de was. In elk geval wil ik het fragment
vftn deze tweede proeve ter verheerlyking van *t huislijk gelnk van den heer Dadel-
pracht niet aan den lezer onthouden. — Zy overtreft, in myne schatting de eerste nog
la vitgelesen dwaasheid.
V. L.