Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
mmBssmmmm
De boterham en de goudzoeker, 37
iHet ouderlijk huis by provizio verlaat,
»Tot het kindervertrek weêr wat lediger staat.
»Want nl ben jelui klein, jelui bent niet zoo mal
»Te denken, dat ik zoo'n vervaarlijk getal
»Voor kost en voor inwoning vrijhouen zal.
»*t Is hier 't leger, de vloot on de schuttery
»Bij mekaêr en je maakt den foerier van my,
»Nommor één snij dus uit!
»Hier heb je mijn zegen en verder geen duit,
»En ik wou,
»Dat, met jou,
»De rest van die bengels reeds zat in de schuit.**
't Was Vader die sprak en Vader alleen;
Want Moedor was ziek en sloop stilletjens heexu
En toen ik nu zag, dat ik d'oudste was.
Toen ging ik aan 't pakken en haalde mijn pas.
Als of het een reis naar Sebastopol was.
Mijn pakjen was licht, en mijn beurs woog nog min;
Doch Moederlief stak er een boterham in.
En toen eindelijk 'tuur van het afscheid sloeg,
En de schipper — of Jantjen haast klaar was — vroee
En Moeder hem zond wat de vracht bedroeg,
Met een brief en een fooitjen, meer dan genoeg,
En voor 't laatst op haar ziekbed in de armen my nam,
Terwijl er een beek langs mijn wangen kwam,
Toen zei zy: »hier is een zest'half of twee
»En een dubbeltjen, wees er maar zuinig meö.
»En daar komt uit mijn zak, jongelief I nog een duit;
»Maar Jantjen I och geef hem niet roekeloos uit."
»Wat of toch dat snikken en snott'ren beduidt,
»Dat heesch en dat krijtend hyeenengeluid ?
»Dat neusdoekverslindende neuzengesnuit?'*
Riep Vader omlaag met een stem als een fluit: