Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
.JUUIWI. Ui.g IIUU-I.J .mmm^Êmmtm
36 De boterham en de goudzoeker.
Maar Moederlief zei: »wel heden mijn tijd I
»Hoe raak je nu, Vader! de klus zoo kwijtf
»Daar is er geen een die nog honger lijdt,
»En heb je dan geen overleg en vlijt?"
»Ja wel", zei mijn vader: »maar acht is te veel,
»En daar kijken er zeven van honger al scheel.
— »Een ouderlijk dak en een huislijke haard
»En ons negental kindVen, en allen gespaard!
»Vier gespeend, vijf aan 't zuigen, en een met een baard
»En die beeldfraaie brieven, als vader verjaart
»En ons leven is waarlijk een hemel op aard! —
»Dat zijn allemaal praatjens, de moeite waard
»Voor een heer, die een koets houdt, een knecht en paard.
»Dan is hemelsch aandoenlijk en machtig fijn ; —
»Maar daar moet in zoon hemel een boterham zijn.
»En voor boterhammen, in aantal zoo groot,
»(Want wy zijn met ons tienen en niemand nog dood^
»Heb ik in zoo'n hongrigen hemel geen brood.
»Ik ben op dit punt licht zoo knap niet als Poot,
»En wat hebben wij hier aan een hongersnood?
»Zoo'n hemel heeft veel van een ravennest.
»Maar even^es elf... en ik schenk je de rest.*
Mijn vader was weêr in zijn rekening mis; —
Doch wat zeit niet een man al, die driftig ia.
»Wel Vader I" zei Moederlief; »jy weet het best
»Maar ik heb geen vrees voor ons ravennest." —
»Hoort kindrenl" zei Vader op 'tiest; »weetje wat?
»Het eenige, dat er nog opzit, is dat
»Eerst je broer met zijn baard, en jylui daarna,
»Dat elk uwer enfin eens uit reizen ga,
»En dat je maar, elk als je gaat en staat
»(Want veel plunje is op reis maar overdaad)