Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hrneve van dichterlijke vlucnc. 25
En 't lichaam afgemat. Het brandende gebit
Verlangde laafnis en verpoozing, en vermoeijing
vVerd opgevolgd door rust. Niet meer in dart'le stoeijing
Of luchten sprong verward, maar neergestrekt in 't groen,
Zat alles afgemat op 't geurig bloemfestoen.
Of dook in 't mollig gras in sluimring neer en rustte
Een ander deel sloop rond, maar rein van tred, en kuste
De maagdeiyke hand der zoete gezellin.
Maar zag de boogpees niet, gespannen door de Min.
Latone alleen zat neer, in diep gepeins verloren;
Geen minnekozcry kan nog haar hart bekoren;
Nog zweeg by haar de lust, met rozen overdekt,
Waaronder 't slanggebroed de drakentreden strekt.
Viool of distelbloem mocht meer haar zinnen streelen,
Dan 't hart-innemend zoet van *t zwelgend kusjens-steelen;
Ook thans in eenzaamheid, en door geen knaap verzold,
Zweeft d'argelooze maagd langs *t groene klaverveld.
En grijpt naar wesp of spin en volgt den bonten vlinder
in vaart en vlucht voorby, langs heg en struik, gezwinder
Dan 't afgejaagde hert, dat, eindlijk achterhaald,
Aan 't woedend hondental zijn vlugheid duur betaalt 1
Doch wie vertraagt haar spoed ? Wat wonder treft haar oogen,
En houdt haar blozend hart verrukt en opgetogen ?
Wat hoogt op eens den gloed van 't lelieblank satijn,
En adelt sneeuw-albast tot golvend ambrozijn?
't Is 't schouwspel daar ze op staart. Met zonnegloo<l omhangen,
Uit blank azuur gevormd, en paarlen op de wangen.
Terwijl 't fluweelen haar in golven neêrwaarts spoed f.
Treedt haar, met schoonen tred, een jongling te gemoot.
Zijn blik schiet vlammend vuur, als vonken gouds, in 't ronde;
De bliksem van zijn oog verbrandt en schroeit de wonde.
Die 't hart van die hem ziet op d'eigen stond doorboort:
Zijn stem is als 't geluid des donders, en verstoort
Den zeeleeuw in zijn kuil: zijn reuzenarmen spreiden
Zicb in het luchtruim uit als stammen : bosch en weiden