Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
142
De hond.
»Als menheer de Italiaan zei met zijn stiletto,
»Om de beschuit, die het korfjen veroiert,
ȕe verdedigen tegen dit ongediert;
(«Want aan zulk janhagel den naam van dieren te schenken,
»Zou mijn gevoel, als hond van eer, te veel krenken.)
»Het best van allen
»Is, zelf op het proviand maar aan te vallen." —
Zoo gezegd, zoo gedaan :
In eigen persoon tast nu Hektor het spijskorfjen aan,
£n eer iemand, die in 't hoofd verstopt is, zijn neus kan snuiten,
Is het lot reeds beslist van de mand beschuiten;
Terwijl Mopjens, Kardoezen en Keezen inkluis
Op een pruikmakers drafjen afpoeieren naar huis. —
Moraal,
Dees Fabel leert ons, zoowel als de Geschiedenis,
Dat do vraatzucht van Keezen onverzaadbaar is,
En dat zy er nooit een boen in zien.
Om zich met het eigendom te verrijken van andere liên.
Doch ten tweede doet de Fabel ons duidelijk aanschouwen,
Hoe men somtijds den wil voor de daad moet houên,
En hoe men, als men zijn best doet, en niet kan slagen,
Zich maar als bovengenoemde hond moet gedragen.
»Je meent natuurlijk Hektor?" zegt hier iemand terstond:
»Mijnheer, U neemt my het woord uit den mond!" —