Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
132 Oe fatsoenlijke keeskond,
DE FATSOENLIJKE KEESHOND.
een fabel.
Miiabile dictul
'k Wed, lezer I dit begin verschrikt u.
de kees spreekt.
Dag en nacht.
En met mijn staart bevracht,
Dikwijls zonder dat iemand myn ontbijt my bracht,
Ofj behalve ik, er aan dacht,
Zit ik op de wacht.
En waak, met mijn ooren overend, op deez werf,
Tot bescherming van huis en erf.
Bedelaars en dieven, en andoren van mijn naamgenooten,
Byt ik terstond in de kuitelooze pooten,
Eer zy zich tweemaal aan do kleine steentjens stoofcen.
En trouwens, als ik maar kef
Of mijn neus boven mijn tanden verhef.
Zijn zy al weg eer ik 't besef.
Maar komt 's nachts een fatsoenlijk man
Met een oranjelintjen an
— En die een levertjen betalen kan —
Om de jonge juffrouw, net als Don Juan,
In een cales of sharaban,
Dan hoü ik me maar doof en weet er niet van;
Want ik denk altijd: tegen mijn meerderen te bassen,
Dat ware, als blafte ik tegen de maan, en 't zou my niet passen.
Leer hieruit, o jeugd, hoe gelukkig het is in der daad,
Dat een Kees in den Raad,