Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
10 Iets over den schrijver en zipi dichttrant.
nam hy in verschillende gemeenten een hulpbeurt waar. Groot was de
indruk en de stichting, welke hy door zijn leerredenen te weeg bracht.
Na hetgeen ik over het voortreffelijke van zijn voordracht reeds heb ge-
zegd, zal het niemand verwonderen, dat hy van den kansel, door liot
plechtige en tevens innemende van zijn toon, do harten zijner toehoorder»
wist te roeren en te boeien; maar ook gevoelden zich deze getroffen-
door het gemoedelijk ernstige van den inhoud; terwijl zijn stijl niet al-
leen door cierhjkheid uitmuntte, maar ook, als immer, onberispelijk was.
Onder andere bevoegde beoordeelaars, die hem een glansrijke loopbaan
als kanselredenaar meenden te kunnen voorspellen, kan ik mijn vader
noemen: en ik vergeet niet licht de opgetogenheid, waarmede de waar-
dige man, toen hy in 't jaar i833 Van de Linde te Bennebroek had
hooren prediken, den jeugdigen kandidaat met den volbrachten arbeid
zijn gelukwensch toebracht en een zegenwensch tevens, die echter niet
zoo als hy bedoeld was zoü vervuld worden.
Immers, geheel anders dan men zich op goeden grond meende te kun-
nen voorspellen, zoü de toekomst van Van de Linde zijn, en het voor-
uitzicht, dat zich onder zulke glansrijke teekenen opdeed, moest in ne-
velen verdwijnen.
Van de Linde was wel niet in weelde grootgebracht; maar toch had
het hem als knaap nimmer aan iets ontbroken ; hy was aan een onbe-
krompen en zorgelooze levenswijze gewoon, en — waarom hier verzwe-
gen wat overal uit zijn schriften doorstraalt? - hy was een Epikuristf
een gebrek (zoo men 't al een gebrek mag noomen), dat hy met vele be-
roemde mannen, onder anderen met zijn leermeester Van der Palm ge-
meen had, en hem zeker in diens oogen geen kwaad deed. Op het voor-
beeld van den vernuftigen hoogleeraar, wiens gezag ongetwijfeld op het
stuk van smaak als wet mag gelden, beweerde Van de Linde, dat een
kiesche en keurige smaak by hom) die er mede bedeeld is, zich ook in
faZles openbaren moet en dat iemand, die op 't punt van spijs en drank
onverscLillig is, laat staan iemand, die zuren wijn of sterken boter nut-
tigen kan, onmogelijk de schoonheden van een dichtstuk gevoelen of
een cierlijken stijl kan schrijven. Ja, zoo Van de Linde in elk ander op-
zicht vurig ingenomen was met net beroep, dat hy zich gekozen had,
hy kon wel eens opzien tegen het denkbeeld, dat hem misschien opeen
afgelegen dorp een slechte keuken te wanhton stonH daarby geen