Boekgegevens
Titel: De geschiedenis der Israëliten, na den dood van Jozua, gedurende het bestuur der Regters, tot den eersten koning Saul
Auteur: Oostkamp, Jan Antonie
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7035
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201541
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De geschiedenis der Israëliten, na den dood van Jozua, gedurende het bestuur der Regters, tot den eersten koning Saul
Vorige scan Volgende scanScanned page
31 Dfe GESCHIEDENIS
„ hartelijk welkom sijn."^ En met deze woor-
den bragc h^ dit reisgezelfchap in zijne woning,
en bezorgde alles voor lietzeive , wat nooclig
was.
Jan. Nu is onze Koos gerust, wyl die
goede menfchen geborgen zijn.
Koosje. Dat ben ik ook, Jan! Nu heb-
ben zij voor geen kwaad te vreezen.
Vader. Ik heb ä'ooj/tf reeds gezegd, dat
zij zich zeer vergist, wanneer zij meent, dat de
Leviet met de zijnen nu veilig zijn; want naauw-
lijks waren zij aan den avondmaaltijd gezeten,
of er ontdond een wild rumoer van het flechtfte
fchuim van volk , welke het huis beftormde,
en eischte, dat de vreemdelingen naar buiten zou-
de komen , omdat zij hem op eene baldadige
wijze mishandelen wilden. Na veel geraas en
getier kregen zij het bijwijf van den Leviet in
handen, en mishandelden dit mensch zoo gruw-
zaam, dat zij des morgens gevonden werd, dood
liggende tegen den post der deur van het huis,
waarin haar man dien nacht geweest was.
Hendrik. Wel dat is beestachtig, Fa-
der! zulke goddeloosheden en ftraatfchenderij
zouden bij ons niet ongeftraft blijven.
Vader, Dat is ook zoo , Hendrik !
dankt God daarom , kinderen! dat gij in een
land woont , daar de wetten den vreemdeling
zoo wel als den inwoner tegen alle moedwillig-
heid beveiligen en befchermen, en leert er uit,
hoe diep bedorven een volk kan worden, wan-
neer het God en zijnen dienst verlaat; want
wat is lager dan eenen vreemdeling, die vreed-
zaam door een land reist , en daar voor een'
eKkelen nacht wenscht uitterusten, te mishande-
len?