Boekgegevens
Titel: De geschiedenis der Israëliten, na den dood van Jozua, gedurende het bestuur der Regters, tot den eersten koning Saul
Auteur: Oostkamp, Jan Antonie
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7035
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201541
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De geschiedenis der Israëliten, na den dood van Jozua, gedurende het bestuur der Regters, tot den eersten koning Saul
Vorige scan Volgende scanScanned page
S OK CESCHIBOSniS
woonden, uit het land en de fteden te verdrg-
ven, hetwelk de nadeeligfte gevolgen had voor
het geheele volk, gelijk de gefchiedenis ons
verder leeren zal.
Jan, Maar, Vader! waren zij dan na den
dood hunner oudften geheel zonder belluurV
Vader. Neen, Jan! elke ftam had zijne
eigene opperhoofden, die hunne ilamgenooten re-
geerden , en fumtijds zelfs tegen andere Itam-
men oorlog voerden. Op fommige lijden, den-
kelijk op de hooge feestdagen, kwamen er af-
gevaardigden uit de onderfcheidene flammen bij
een, om de aigemeene landzaken te befpreken,
doch deze regering had wtinig klem; want zij
deden in eiken ftaui, wat hun goed dacht, zon-
der op de belangen vsn het a'gemeen te ietten.
Hendrik. Dat was jammer. Vader!
de Israêliten waren anders nu zeer gelukkig.
Vader. Wd opgemerkt, Hendrik! van
flaven verheven tot vrije menfchen, van ar-
moede tot rtikdom, en van zwervelingen door
akelige woefliinen tot bezitters van een vrucht-
baar land gebragt te zijn, behoort tot de groot-
je van alle tijdeüjiie zegeningen, die een volk
genieten kan. Maar wat baat het, kinderen!
Wanneer men Gods zegeningen en weldaden
niet opmerkt; want zij worden dan dikwijls in
fampen verkeerd. .
Koosje. Vader heeft gezegd, dat er een
diep verval in de zeden des volks kwam , en
dat zij God verlieten.
Vader. Ja, lieve Koosl dat deed dit on-
dankbare volk; de Israëliten werden afgodisch ,
wreed en barbaarsch, gelijk aan de goddelooze
Kanaóniten, welker land bewoonden, en wel-
k(ir