Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der vaderlandsche geschiedenis, ten dienste van hen, die zich tot de lessen bij de Koninklijke Militaire Akademie wenschen voor te bereiden
Auteur: Mulder, Lodewijk
Uitgave: Arnhem: D.A. Thieme, 1863
2e dr
Opmerking: Tweede deel: Nieuwe geschiedenis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-698
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201485
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der vaderlandsche geschiedenis, ten dienste van hen, die zich tot de lessen bij de Koninklijke Militaire Akademie wenschen voor te bereiden
Vorige scan Volgende scanScanned page
-104
in de geschiedenis des vaderlands behandeld. In 1648 was de
Oost-Indische Compagnie de eerste handelsmogendheid der aarde.
Hare bezittingen in A%ië, die Bafavia tot hoofdplaats hadden,
breidden zich uit over de Moluksclie eilanden, op de kusten van
Voor-ltidië, op het schiereiland Malakka, op Ceylon en op For-
mosa, terwijl zij op het Japansche eiland Desima eene factorij had.
De West-Indische maatschappij, die in 1621 was opgerigt, had
zich in 1630 in Brazilië gevestigd, en binnen 6 jaren een groot
gedeelte van dat land op de Portugezen veroverd. Later was die
gewigtige bezitting door de verkeerde en weinig krachtige maat-
regelen van het bestuur bijna geheel verloren gegaan, zoodat in
1648 slechts nog drie forten aan de Nederlanders onderworpen
waren. Verder bezat de maatschappij het eiland Curaçao; dat in
1634 op de Spanjaarden was veroverd.
In Noord-Amerika waren reeds in 1610 door eenige Holland-
sche kooplieden volkplantingen aangelegd aan den mond der/fud-
so»-rivier. Deze landstreken, die weldra den naam van Nieuw-
Nederland ontvingen, werden later overgenomen en verder uit-
gebreid door de Westindische maatschappij, die er de stad Nieuw-
Amsterdam stichtte, welke tegenwoordig den naam Nieuw-Tork
draagt.
De Engelschen begonnen reeds in het laatst der 15de eeuw
ontdekkingsreizen te ondernemen, die zich vooral naar het noorden
rigtten. Later legden zij langs de oostkust van Noord-Amerika
onderscheidene volkplantingen aan, als in Virginia (1607), en
in het tegenwoordige Maine (de noord-oostelükste der Vereenigde
Staten (1620). Deze laatste kolonie kreeg den naam van Nieuw-
Engeland, en werd voornamelijk door Puriteinen bevolkt, die
hier de vrijheid van godsdienst zochten, welke hun in hun va-
derland geweigerd werd. Zij erkenden wel den Koning van En-
geland voor hun opperheer, maar kozen verder hun eigen bestuur.
Firgiuia daarentegen, hoezeer door eene maatschappij van koop-
lieden aangelegd, was spoedig een eigendom van de kroon ge-
worden , en werd geregeerd door een Raad , die door den Koning
werd benoemd. Onder K.\rel I kwam deze volkplanting tot
grooten bloei, en weigerde bij den dood des Konings de republi-
keinsche regering te erkennen.
Met minder goed gevolg trachtten de Engelschen zich ook in
Oost-Indië te vestigen. In 1600 werd door eenige kooplieden te
Londen eene Oost-Indische Compagnie opgerigt, die in Azië op ver-
scheidene punten van het vaste land en op de eilanden factorijen
aanlegde en kantoren stichtte, welker uitbreiding evenwel door