Boekgegevens
Titel: Méthode familière, pour ceux qui commencent à s'exercer dans la langue française = Gemeenzame leerwijze voor degenen, die zich in de Fransche taal beginnen te oefenen
Auteur: Marin, Pieter; Scheerder, H.
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp en Van de Grampel, 1826
Amsterdam: A. Bakels
2e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6334
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201359
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Méthode familière, pour ceux qui commencent à s'exercer dans la langue française = Gemeenzame leerwijze voor degenen, die zich in de Fransche taal beginnen te oefenen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Méthode Familiire. .
97
Blijf nog wat.
Ga nog niet heen*
Wat hebt gij te dom P
tl^at heb tk u gedaan ?
Wat heeft menu gegeven?
Wat zal men u geven?
Wat heeft hij u gevraagd?
Wat heeft zij u beloofd?
Wat zult gij hem of haar
fchrijven ? (fchnjven ?
Wat zult gij hun of haar
Wat moet Pieter doen ?
Wat moet de meid gaan
halen?
Wat weet ik het ?
Het moet laat zijn.
Verwacht gij den IJcerL.
niet ? (men is.
Ga zien of hij weêrgeko-
h de Heer L. te huis?
Neen^ hij is uit de flad.
Wanneer zal hij weérko-
men ? igenhlik.
Men wacht hem ieder co-
Gij fpreekt weU
Gij fpreekt niet wel.
Spreekt gif niet wel ? .
Ik zal u al mijn leven be-
minnen.
Gij zijt al te dartel.
Gij hebt gelijk.
Gij heht ongelijk.
Gij denkt er niet aan.
Dat is onmpgelijk.
Laat ons zamen fpreken.
Laat ons met de kaart fpe-
Laat ons niet fpelen.(len.
Restez encore un peu.
Ne vous en allez pas encoreî
Qu'avez-vous h faire?
Que vous ai-je fait ?
Que vous a-t-on donné?
Que vous donnera-t-on ?
Que vous a-t-il demandé?
Que vous a-t-elle promis?
Qiie lui écrirez-vous ?
Que leur écrirez-vous ?
Que faut-il que Pierre fasse?
Que faut-il que la servan-
te aille chercher ?
Que sais-je moi?
Il doit être tard.
N'attendez-vous pas Mon-
sieur L.?
Allez voir sMl est revenu.
Monsieur L. est-il chez lui?
Non, il est ♦hors de ville.
Quand reviendra-t-il ?
^On l'attend à tout moment.
Vous parlez bien.
Vous i:e parlez pas bien.
Ne parlez-vous pas bien ?
Je vous aimerai toute ma
vie.
Vous êtes trop badin.
Vous avez raison.
Vous avez tort.
Vous n'y pensez pas.
Cela est impossible.;
Parlons ensemble,
fouons aux caitcs.
N
G
e jouons pas,