Boekgegevens
Titel: Méthode familière, pour ceux qui commencent à s'exercer dans la langue française = Gemeenzame leerwijze voor degenen, die zich in de Fransche taal beginnen te oefenen
Auteur: Marin, Pieter; Scheerder, H.
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp en Van de Grampel, 1826
Amsterdam: A. Bakels
2e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6334
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201359
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Méthode familière, pour ceux qui commencent à s'exercer dans la langue française = Gemeenzame leerwijze voor degenen, die zich in de Fransche taal beginnen te oefenen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Méthode Familière.
I [I
Waar gaat zij naar toe?
Zij gaat naar Leiden.
Wat gaat zij daar doen?
Zij gaat onze tante £,
bezoeken. ^
Zal zij daar lang blijven?
Ik geloof het niet. {men?
Wanneer zal zij wederko-
Tegen het laatfle van dc
maand.
Hoe vaart Mijnheer uw
broeder ?
Heelwel^ om u te dienen.
Doe hem mijne groetcnls.
Ik zal het niet vergeten.
Ik zal u haast komen be-
zoeken^
Gij zegt het altijd^ maar
gij doet het nooit.
Zult gij uw woord hou-
den? {zegt ?
Zult' gij doen hetgeen gij
Ja, ik beloof het u.
Gij zult welkom zijn^
TWEEDE ZAMENSPRAAK.
Mijnheer! men vraagt
naar u. (^deur.
Er is een man aan dc
Er is iemand^ om u te
fpreken. ^
Het is een man, die naai
Où va-t-ellc?
Elle va à Leidc.
Que va-t-elle faire IA?
Elle va voir notre tante B.
C temps V
Y dem eurera-t-el le Ion g -
Je ne le crois pas.
Quand .reviendra t-elle ?
Vers la fui du mois.
Comment se porte Mon-
sieur votre frère ?
Foit bien, à votre service.
Faites-lui mescompliments.
Je n'y manquerai pas.
J'irai vous voir bientôt.
Vous le dites toujours ^
mais vous ne le faites
jamais.
Tiendi-ez-vous votre paro-
le? (dites?
Ferez-vous ce que vous
Oui, je vous le promets.
Vous serez le bienv-eiiu.
DIALOGUE SECONB.
Monsieur,, on vous de-
mande.
Il y un homme à la porte.
Il y a quelqu'un qui de-
mande i\ vous parler.
C'est un homme qui vous-
demande.
U vraagt.
Wat voor een man is het ?\(}\mi\ hoirme est-ce?
G 3