Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
vervonnd, verminkt eu verduisterd, tot hunne nakomelingen
overgebracht.
Dat voor het overige die taal, welke men met een' ge-
meenen naam de duitsche noemt, zeer nauw verwant is met
het Grieksch, en in sommige opzichten ook met het Latijn,
iils welk laatste toch meer of min een dialect van het Grieksch
geweest is, heeft men honderdmaleu gezegd en aangetoond.
Benigen meenen zelfs, dat men het Duitsch of Germaansch
(onze taal, opdat wij dit herhalen, altijd hieronder begrepen)
als eene oudere zuster van de spraak der Grieken moet
aanzien. De beroemde hoogduitsche geleerde en dichter voss
zinspeelt hierop in de versregels, waarin hij homerus tot
hem zelven (tot voss namelijk) zeggen laat:
^Sohn der edleren Sprache Teutonia, die mei der jünyerii
Schi ester lönia gern auf Thrakischen Bergen um Orfeus
Spielte, von einerlei Kost der Nektartraube begeistert. Enz.
Hoe het hiermede nu ook gelegen zijn moge, zeker is het,
dat meii bij gi-ieksche schrijvers, als b.v. bij herodotus, reeds
verschillende woorden aantreft, die in streken, waarin thans
duitsche volkeren wonen, te huis hooren, en die zich uit de
hedendaagsche duitsche (hoog-, nederduitsche en skandinavisch-
duitsche) talen en dialecten verklaren laat. Hooger iu de
oudheid opklimmende, moet men den oorsprong der duitsche
volkeren in Azit^ zoeken. Dit is eene vrij algemeen aange-
nomene stelling, die op de zeer waarschü'nlijke geschiedkun-
dige meeniug rust, dat al de inwoners van Europa uit Azië
afkomstig zijn. Hierdoor laat zich dan ook de overeenkomst,
dio er tusschen het oud-Perzisch, Sanskritisch en de duitsche
talen en tongvallen in vele opzichten heerscht, benevens al
het overige oostersche, dat in de laatstgemelde talen gevon-
den wordt, ten overvloede verklaren.
§ 164.
Vraagt men, welke talen er al tot de duitsche spraak, in