Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
16) In hoever komen de grammaticale figuren, welke men zinver-
hinding, samenvatting, samenstelling en vooruilvalting {zeugma, syl-
lepsis, synthesis en prolepsis) noemen kan, in onzen stijl te pas?
17) Wat valt .ten aanzien des gebruiks van het koppeUvoordje en
in den stijl op te merken, en in hoever komt de zoogenaamde veel-
binding oï polysyndeton, in hoever de nietbinding oi asyndeton
bij en bij andere koppelwoorden of conjunctiën in aanmerking?
18) Welke voorbeelden zijn er bij ons van de anastrophe of na-
plaatsiyig, omzetting; van de synchysis of war schikking; \diXï den
pleonasmus of de veelspraak; van de ellipsis of uitlating 9
-19) Wat zoude men bij ons eene ivisseling, woordwisseling of
enallage kunnen noemen ? Wat eene woord- of lettergreepscheiding
of tmesis, en hoe dergelijke grammaticale figuren in den stijl al ver-
»ler heeten mogen ?
Iets over de oudheid en onverhasterdheid onzer taal, benevens
een paar woorden over de oud-duitsche en nederlandsche
letterkunde.
§ 1^2.
Schoon het dwaasheid zijn zoude te willen beweren, dat
onze taal reeds sinds eeuwen juist zoodanig bestaan heeft,
gesproken en geschreven is geworden, als heden ten dage,
kan men echter met recht staande houden, dat zij uit een
alleroudst geslacht afstamt, uit een geslacht, welks oorsprong
zicli in den nacht van langvervlogen eeuwen verliest. Het
Nederlandsch namelyk is, evenals het tegenwoordige Hoog-
duitsch, eeu tak van den duitschen taalstam in zijn geheel
beschouwd, en de wortelen van dezen laatstgemelde zijn tot
in de diepste kloven en spleten van het verledene doorge-
drongen. Op dien grond kan men onzer sprake met den
dichter loots toezingen:
Gelijk een stroom in 't hart der bergen
Zich zelv' den ijzren grond ontwringt.
Naar eigen wil, wat hem moog' tergen,^
Door zelf gedolven voren dringt;