Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
72
§ H7.
De slotsom der vergelijking tusschen den periodischen of
volzinachtigen, en den afgebroken stijl komt hierop neder,
dat de eerste over het algemeen deftiger en statiger is, dan
de laatste; gevolgelijk, dat deze in stukken van een' hoog-
dravenden, plechtigen inhoud met de meeste gepastheid gebruikt
kan worden. De afgebroken stijl integendeel bezit meer rasch-
heid, puntigheid, levendigheid en tegelijkertijd eenvoudigheid,
dan de periodische, en is derhalve het meest geschikt voor
opstellen, die of plotselijke kracht en nadruk, of wel eene
zekere kunsteloosheid, losheid, vluchtigheid en vroolijkheid ver-
eischen. Zoo bezigt ctCERO den afgebroken' schrijftrant dik-
werf, als hij iets zeer levendig verhaalt, of wel eensklaps
met vinnigheid zijne tegenpartij aantast, en den donder zijner
welsprekendheid boven haar hoofd doet losbarsten. Men
neme b.v. de eerste redevoering tegen catilina. In brieven
laat deze stjjl zich ook goed bezigen. Evenzoo soms in punt-
dichten, gelijk hüygens, in korte, afgebrokene zinnen, van
het ontwaken uit den slaap treffend zingt:
Waer was ick daer ? En wie en waf ?
Waer hen ick nu ? En wat en wie ?
Welck is de waerheit ? Dit of dat ?
Of dat ick sagh ? Of dat ick sie ?
Ick kom van droomen ; dat 's gewis !
Nu gaen ick waken , soo ick meen ;
Maer , daer het een als 't ander is,
Welck is het sekerste van tweén ?
De periodische stijl loopt wel eens gevaar van eentonigheid
en slaperigheid; de afgebrokene van te groote vluchtigheid, van
winderigheid en beuzelachtigheid. Hierdoor kan de eerste wel
eens vermoeijen en afmatten, de tweede ons te wuft en ijdel
schijnen. Uit dien hoofde derhalve zal men altijd wel doen,
in opstellen van eenige uitgebreidheid beide soorten door