Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
69
zelven zoude kunnen uitmaken. Het ongemeen fraaije oud-
hollandsche puntdicht van huygens, getiteld:
Grafschrift.
Hier light een heilig man gedolven onder de aerd,
Want boven was sy sijns niet waerd.
heeft dus twee zinsneden, en in zeker opzicht ook twee zinnen.
En het volgende sneldicht van denzelfden heer van Zuylichem
heeft vier zinsneden of leden:
1
Klaes haet de wysen, omdat hy 'er geen is,
_3 4._
En haet de gecken, omdat hy er een is.
§ 144.
Wanneer de zin wat uitgebreid is en verschillende zinsne-
den of leden heeft, noemt men hem een' volzin, of wel eene
periode; schoon sommige taalkenners tusschen volzinnen en
perioden nog weder onderscheid maken, en door de laatste
eene aaneenschakeling of dooreenvlechting van meerdere vol-
zinnen verstaan. Genoeg! Men kan in het volgende punt-
dicht van den geestigen huygens twee volzinnen aantoonen:
Uytleggers.
't Gaet vast, dat heel veel kocks bederven goe' geregten ,
En ick in dat gedrangh en vind niet, dat ick soeck.
Uytleggers sonder end bekladden boeck aen boeck,
Terwijl s' elck even heet voor haer gevoelen vechten.
Het schijnt, dat de Ouden door hetgene men periode noemt
nog iets anders verstaan hebben, dan juist dat, hetwelk er,
over het algemeen, tegenwoordig door verstaan wordt. Wg