Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
Die maer geleertheit soeckt, en wijsheil niet daerby,
Slaept hy de camenier, en gaet de vrouw verhy.
§ 138.
Tot eene goede keuze van woorden behoort ook, dat zij
vuegelijk zijn, dat is, zoowel bij elkander, als in de soort
van stijl, waarin zij voorkomen, en tot de oogmerken, waar-
toe zij gebezigd worden, juist passen. Hiertoe heeft onder
anderen betrekking, dat men niet een en hetzelfde werkwoord
met geheel ongelijksoortige uitdrukkingen in verband brenge.
üe Pranschen gispen er b.v. hunnen beroemden dichter ra-
ciNK over, dat hij gezegd heeft: des campagnes, jonchées de
cadavres et de sang, daar men wel kan zeggen: jonchées de
morts OU de cadavres, maar niet jonchées de sang. Zoo zoude
het bij ons ook geene navolging verdienen, als men schreef:
velden, bezaaid met bloed en lijken. Immers, een veld kan wel
op eene leenspreukige wijze gezegd worden, met lijken, maar
niet met bloed bezaaid te zijn. Ook in de werken onzer va-
derlandsche dichters ontbreekt het niet aan proeven van zulk
eene zonderlinge vermenging van beelden. Men denke b.v.
aan het volgende bekende zangvers:
Het rijk des doods verloor zijn magt,
't Verslindend graf zijn' donkren nacht,
't Gordijn werd opgeheven.
En 't oog zag aan zijn gindsche kust,
Ma eene korte , zoete rust,
't Onsterflijk, eeuwig leven.
§ 139.
De woorden, die men bezigt, moeten ook juistheid ^anhe-
teekenis bezitten, dat is, de voorstellingen, die zij ons ge-
ven, moeten niet verward, weifelend en onzeker zijn. Dit
kan b.v. plaats hebben met uitdrukkingen, wier afstamming
donker is, of die dan eens in dezen, dan in genen zin geuo -
H. 5