Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
55
pogen te vlechten, om aldus voor haar, van lieverlede, het
groot-burgerrecht, ook in de schrijftaal, te verwerven.
Soloecismen zijn zoodanige woorden of woordvoegingen,
welke alleen slechts den persoon, die ze bezigt, eigen zijn.
Hetgeen over het smeden van nieuwe woorden gezegd is, vindt
hier meer of min zijne toepassing.
§ 132.
Men vermijde insgelijks in een' deftigen stijl het gebruik
van platte volkswoorden, en van woorden, gewijzigd naar de
uitspraak der ruwe volkstongvallen. Hoe vreemd zoude het
toch klinken, als men in de volgende, ook om hun metrum
en rhythmus, schoone dichtregelen van helmers :
Zij vord'ren ! — Nu ontsluit de orkaan zijn woest gebied.
En zweept zijn stormen voort, en knakt elk schip als riet ;
Een tastb're nacht bedekt het eeuwig ruim der wat'ren ;
't Schip rijst ten hemel; stort in d' afgrond; 't schrikkelijk klat'ren
Des donders, 't rosse licht des bliksems, 's volks geween
Wart ak'lig dag en nacht, en lucht en zee dooreen. Enz.
als men, herhaal ik, in die verzen voor de uitdrukking stormen,
voortzweepen, eens b. v. die van stormen voortranselen, voort-
pietsen (Hoogduitsch fortpeitschen), zooals men in Gelderland
zegt, wilde bezigen, of wel voor volksgeween het woord volks-
gejank. — Onderwijl is het somtijds zeer moeijelijk te bepa-
len, wat plat en niet plat zij, en, gelijk men zich voor ware
plomp- en platheden in den stijl wachten moet, zij men even-
zeer op zijne hoede tegen eene te vieze en belagchelijke kiesch-
keurigheid. Ook de tijd oefent grooten invloed uit op het
edele of onedele van sommige woorden, en veel van hetgeen
ons heden ten dage plat en laag voorkomt, was zulks voor
oen paar eeuwen niet. Janken b. v. zoude, als wij het van
menschen bezigden, ons tegenwoordig in een' sierlijken stijl
tegen de borst stooten, en onderwijl gebruikt hooft het aldus
in zijne meesterlijke en schilderachtige beschrijving van den