Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
voor ondeugd in het algemeen; wonne (hoogd. Wonne) voor
vreugde, verrukking; uileren (hoogd. äussern) voor uiten, te
kennen geven; amme (hoogA. Amme)'VOO'C minne, zoogster; ge-
wogen (hoogd. gewogen) voor toegenegen, gunstig, en hoeveel
andere soortgelijke, geheel hoogduitsch schijnende woorden
en spreekwijzen niet al meer, met het gezag van hooft,
vondel, huygens, cats cn de overige beroemde schrijvers
van onzen vroegeren tijd bekrachtigen kunnen, ware zulks
noodig en liet het bestek dezes handhoeks eene groote uit-
breiding over dit onderwerp toe. Nu moeten wij het bij het
gezegde laten berusten, terwijl wij, als de slotsom er van,
deze drie regels ter behartiging aanprijzen. Vooreerst name-
lijk: wacht u voor germanismen. — Ten tweede: wacht u,
om een' schrijver, van wien gij vertrouwen moogt, dat
hem zuiverheid van stijl lief en waard is, en die tevens
blijken geeft van over zijne taal nagedacht te hebben, dade-
lijk hoogduitschheden aan te tijgen, als zij zich schijnbaar
bij hem vertoonen. En ten derde: duid het een' daartoe
bevoegde nimmer ten kwade, dat hij tusschenbeide, wanneer
dit volstrekt noodzakelijk is, vau onze germaansche taalbroe-
ders het eene of andere woord, of de eene of andere woord-
voeging ontleene; of wel, dat hij, op der Hoogduitscheren
wijze, door gepaste woordkoppelingen onzen taalschat zoeke
te vermeerderen. Hij doet dit laatste dan toch niet, omdat
de Hoogduitschers het doen; maar, omdat wij in onze taal,
die in vele opzichten geheel en al hetzelfde karakter bezit, als
de hunne, zulks uit kracht van de haar eigene geaardheid
doen kunnen.
Van Anglicismen, dat is, engelsche taaieigenheden of spraak-
eigenaardigheden, loopen wij weinig gevaar. Huygens bezigt
er, al boertende, een' in het geestige sneldicht:
lek vraeghd': Hoe raeekte Dirck om 't leven? Was 'tmndrincking,
Of van een sinokingh? — Neen! seid'yemand, geen van twee.
En evenwel van beid'; hy tuymelde in de zee.
En dronck syn selven doot, en bleef voorts in een' sinckingh.