Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
§ 120.
Het vermijdeii van zoogenaamde Latinismen, Gallicismen,
Anglicismen, Germanismen, en hoe zij verder heeten mogen,
maakt een derde vereischte tot een' zuiveren stijl uit. Men
verstaat door de gezegde gebreken spreek- of schrijfwijzen,
niet in onze sprake, maar in die der Latijnen, Franschen,
Engelschen, Duitschers enz. te huis behoorende, en of 1) be-
staande in geheel vreemde, slechts naar onze uitspraak ge-
wijzigde woorden; of 2) in woorden, die wel onzer taal niet
vreemd zijn, maar in andere beteekenissen bij ons gebruikt
worden, ot 3) in uitheemsche woordvoegingen en woord-
schikkingen. Het meeste gevaar loopen wij bij ons van Ger-
manismen of Uoogduüschheden, waartoe, namelijk, de aller-
nauwste bloedverwantschap van het Nederlandsch enHoog-
duitsch zeer licht aanleiding kan geven; tervvyl het daaren-
boven ten uiterste moeijelijk valt, met eene juiste scheidlijn
het grondgebied dier beide talen af te bakenen. Sommige
Germanismen vallen dadelijk in het oog. Welk Nederlander
toch ontdekt ze niet oogenblikkelijk in den volgenden zin :
Mijne woning te Napels had onder meer andere groote aanne-
melijkheden, welke het onbekwame, om vijf stokwerken hoog
tot haar heen op te moeten opstijgen, wijd overwoegen. ook nog
het voordeel, dat ik zoo gelijk van de kamer uit op eenen
kleinen gang kwam; en van dezen door eenen houten ladder
zoo voort mij op het hoogste terras van het huis bevond. Zoo
zoude het ons ook dadelijk in onzen stijl opvallen (opdat ik
zelf hier een' germanismus bezige), dat is, in het oog vallen,
wanneer iemand gezegd werd, zich bij den koning voor dit
of dat ambt bedankt te hebben, dat is, den koning voor zoo-
danig een' post zijn' dank te hebben betuigd. Want schoon
men in onze taal, ten minste in de geldersche dialecten,
wel spreekt van: b. v. ik bedank mij daar wel voor, dit of
dat te doen, wordt dit zich bedanken zelden, voor zoover ik
weet, gebezigd in den zin van dank zeggen voor eene wel-
daad, eene beleefdheid, of iets anders, dat goed is. Dit kan