Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
Men is op deze en in het algemeen op alle soorten van
metaplasmen tegenwoordig, zelfs in den dichtstijl, vry wat
keuriger, dan voorheen.
Het hier kortelijk aangestipte over de woordvervormingen
of metaplasmen moge voor dit handboek genoeg zijn!
Een paar vragen, nog hiertoe betrekkelijk.
1) Heeft men ook in andere talen, b. v. in het Latijn, Fransch
enz. soortgelijke metaplasmen, als waarvan in de bovenstaande § §
gesproken is?
2) Wat andere voorbeelden van antitheses of letterwisselingen laten
er zich al opnoemen ? In hoever is de antithesis tegenwoordig nog
geoorloofd en in den dichtstijl aan te bevelen ? Heeft men ook enkele
geoorloofde letterwisselingen in proza?
3) Wat al meer soorten van aphaereses of knottingen, dan de in
§ 119 opgenoemde, treft men aan ? Welke knottingen zijn in den
prozastijl onvermijdelijk?
4) Heeft men ook syncopes of uitwerpingen, die in den prozastijl
geheel en al door het gebruik gewettigd zijn? Wat voorbeelden van
uitwerpingen kan men meer aanvoeren ? Hoe duidt men de syncopes
in den stijl aan ?
5) Welke soorten van crases of samentrekkingen vindt men, be-
halve de in § 122 opgenoemde, al meer bij onze dichters?
6) Wat andere soorten van diaereses of spalkingen heeft men nog? —
Laat zich de apocope of afkapping m' voor men gepast in den dicht-
stijl bezigen ? Waartoe kan zij aanleiding geven ? Kan men in den
prozastijl apocopes, als daar zijn: een* voor eenen, haar* voor haren
enz. niet zeer wel toelaten, ja, wordt de stijl door het voluit spreken
van eenen^ zijnen, haren, niet vaak lam en sleepend ? Heeft hierin
geene verkeerde navolging van 't Hoogduitsch plaats gegrepen ? Welke
taal lascht en hecht de zacht-korte e meer in en aan de woorden, de
onze of de hoogduitsche enz.?
7) Welke andere voorbeelden van paragoges of achteraanklampin-
gen, dan die in § 123 voorkomen, laten er zich al opnoemen ? Is het
eene paragoge, wanneer ik zeg: de schoonheid der vrouwE ? Hoe gaf
de voormalige paragoge der n in onzen stijl aanleiding tot verwarring
in de geslachten ? Is in deze achteraanklamping ook somwijlen oud-
hoogduitsch taaleigen te bespeuren enz.?