Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
aan het einde der woorden geworden zijn, kan zulks niet ten
bewijze strekken, dat onze taal in vloeijendheid gewonnen
heeft; wel in raschheid van uitspraak. Evenmin is het in het
tegenwoordige Hoogduitsch eene deugd, dat men middenin
de woorden de zachte e dikwerf däär weglaat, waar wij
Nederlanders haar gebruiken, of ten minste dienden te ge-
bruiken. Onze overrijnsche en overeemsche taalbroeders toch
schrijven göttlich, schrecklich, schmerzlich, herzlich, Jüngling,
Fremdling enz., latende dus de consonanten tegen elkander
botsen en horten. Wij scheiden ze door middel der e en
zeggen: goddelijk, schrikkelijk, smartelijk, hartelijk enz. Uit
vele soortgelijke woorden begint de e echter ook al bij ons
eene verstooteling te worden, waarop metdatal eene goede
spellingleer het zegel harer goedkeuring niet licht zal druk-
ken. In de conjugatie onzer werkwoorden is de gemelde
klinkletter sinds lang niet meer te zien ; want, terwijl onze
voorvaderen, op der Hoogduitscheren wijze, met de e, ik
bemmNe u of dij: beminnes of beminnE&i: du of gij mij ook?
zeiden, zeggen wij meestal ik bemin u: bemint gij mij ook?
en slechts in onzen zoogenaamden subjunctivus of aanvoe-
gende wijze doen wij van tijd tot tijd de e nog eens
klinken.
§ 125.
De laatste der door ons in § 115 opgenoemde woordver-
vormingen of metaplasmen is de -paragoge of aanhechting,,
aanstaarting, achteraanklamping, hierin bestaande, dat men
aan het einde der woorden ééne of meer letteren hecht, die
zij in het gewone gebruik niet hebben. Het is dus ook al
eene dier krukken, waarmede de dichters, aan wie de maat-
en rijmkluisters bet gaan wel eens wat moeijelijk maken,
en wier stijl, juist om zijne voeten, somtijds slecht voetee-
ren kan, moeten voorthompelen, willen zij den prozaïst op
zijde blijven. Dus ware b. v. de heer van Zuylichem in het
volgende sneldicht, tot tweemaal toe, in zijne dichterlijke