Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
§ 120.
Wat de syncope of uitwerping betreft, zij ontstaat of
door het weglaten en soms ook wel verwisselen eener letter
midden in een woord, of door de samentrekking vau twee
lettergrepen tot ééne. Men heeft gewone en ongewone syn-
copes. — Tot de eerste soort behooren de zoodanige, welke
voor ieder' dichter, die aan de strenge vorderingen van rijm
en maat voldoen zal, onmisbaar zyn. Een paar er van, en
wel een paar, door samentrekking gevormd, treffen wij aan
in het volgende puntdicht van huygens, waarin hy de dolle
pleitzucht van zijn' tijd strengelgk gispt:
hh prijs mijn advocaet t — Hy is gaen liggen sterven,
En heeft het dolhuys voor sijn erfgenaem verklaert.
Hy seid^: ick heb mijn goed hy sotte liën vergaart,
'tMoet gaen van daer het qxutm ; de gecken moeten H erven.
Hier wordt nit het woord lieden de d gelicht, en het overblij-
vende lie-ën tot lièn samengetrokken. Vergaderd wordt ver-
gaard, Op eene soortgelijke wijze wordt het drielettergrepige
bladeren, om des rijms wil, tot hïdren gemaakt in deszelfden
heeren van Zutjlichems aardig puntdicht op hopman dirck :
Sy liegen 't, die verklaren,
Dat Dirck geen hert en heeft. —
In allerley gevaren
Gevoelt hy, dat het leeft.
En als de popelBL^ERES,
Van 't minste windje beeft.
En zoo zijn broer voor broeder, teèr voor teeder, schaauw voor
schaduw. Goön voor Goden, en honderd andere sxjncopes van
een' soortgelijken aard, als de gemelde. Die in de volgende
dichtregelen van huygens voorkomt, is eenigszins anders:
Voor een besond're gaaf danck ick mijn' God en Heer ;
Sy hebben my niet lang te vreesen, die my krencken.
Al socht ik het te doen, ick kan 't niet langh gedencken ;