Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
AVal zoude er in den prozastijl op de woordenschikking van een?
gedeelte dezer dichtregelen aangerr.erkt kunnen worden ?
12) Wat op de volgende: tracht op uw levenspad al de rozen te
plukken, in weerwil der doornen^ welke slechts eenigszins onder uw
hereik groeijen, en ivifr bloemengeur u liefelijk op den adem van het
koeltje toewaait?
13) Valt er ook onderscheid te maken tusschen woordonschikkin-
gen, b. v. als: ik weet niet^ of zij reeds gekomen is (of zij), of is
gekomen. Men zegtt dat hij van haar zeer bemind wordt, of
wordt bemind. De Forst schijnt hem vergeten te hebben, of
te hebben vergeten. Het is onbekend^ ivanneer dit z\L EiymcE^,
of eindigen zal, gelijk dit laatste bij huygens in het gedenkwaar-
dig versje:
Die alle menschen wil behagen en in all^
Mag heden wel beginnen,
Maar quaed is te versinnen,
Waymeer hy einden zaL
14) Wat is er uit de woordenschikking der volgende periode uit
brandt aan te merken ? Men behoorde ook den nieuwen aankome^
iingen niet op te leggen, sich te moeten laten vindeyii.i de predikatie,
die men gewoon is voor 't avondmael te doen, dienende, om by monde
mn den Kerkendienaer belijdenis des geloofs te doen.
15) Welke duisterheid en dubbelzinnigheid heer sehen er in de
woordennchikking van den aanhef des heerlijken nonnenzangs uit den
Gijsbrecht van Amstel:
O Kerstnacht, schooner dan de dagen:
Hoe kan Herodes 7 licht verdragen,
Dat m ^iw duisternisse blinkt.
En wort gevlert en aengebeden;
Zyn hoogmoet luistert naer geen reden,
Hoe schel die in zyn ooren klinkt.
IC) Kinker kent kracht toe aan de volgende periode uit de nage-
dachtenis-rede van bilderdijk op pestel : Gy (zegt de Redenaar,
Leyden aansprekende) van uw schitterend tempeldak, van uw groe-
nende lauwerbosschen, en blinkende zuilen, ja van dezxdk een hei-
ligdom als het uwe kenteekenende arendsvleugelen die u overdekten,
door don moedwil des oproers beroofde Wijsheidsschool enz.! — Wat
geldt hieromtrent?