Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
in de zoogenaamde natuurlijke, of liever kalme, bedaarde, geleidelijke
1 2
woordenschikking: ik heb dezen morgen nog niet op mijn weêrglas
gezien, maar in de kunstige, of liever levendiger, ongedwongener :
1 2
dezen morgen heb ik 7\og niet op mijn weerglas gezien,
6) Heeft er bij ons in subjunctieve of conjunctieve stellingen altijd
eene verandering in de schikking der woorden plaats, gelijk men
b. v, zegt: hij zal heden zeker komen {hodie veniet) ; maar niet: ik
■hoop . dat hij zal heden komen , maar dat hij heden komen zal (of
zal komen\ waarin men ziet, dat hel woord heden niet meer achter,
maar vóór het hulpwerkwoord zal geplaatst wordt, en door welke
verandering van woordonschikking weêr het conjunctieve der stelling
of datgene woidt uitgedrukt, wal men in het Latijn, met den vorm
van den suhjxinctivxis zou aanduiden. {Spero fore, ut venikT ot wel
eum venturum.)
7) In welke soorten van stijl, en waar ter plaatse kan men het ge-
voegelijkst van de gewone woordonschikking afwijken?
8) Hooft zegt: Een schelmstuk is 'f, dat een Vader zijn Kindt
verdoet; maar grooter schelmstuk begingh met den genen langer
in 't leven te lijden, die met het ontlijven zijns broeders schreede
gemaakt heeft tot slagtingh zijns vaders, en uitroijing van al mij7i
Xaad door muordt en bloedstorting. Wat'valt er over soortgelijke
woordenschikkingen op te merken?
9) Wat is er van de woordenschikking in een' der volgende vier
■dichtregels uit helmers te zeggen?
Hoe dierbaar zijt gij mij, ó stilte van den nacht!
Als in uw duister ik herdenk aan 7 voorgeslacht,
Als ik de schimmen waan dier halve Ooón te aanschouwen.
Als dweepend zich mijti geest met hen durft onderhouén.
10) Wat van de volgende: oud, vervallen, en grijs van haren
zag ik mijn vader terug, terwijl hij echter, bij mijn vertrek uit Hol'
Uuidj nog al de merkteekenen van jeugd en bloeijende gezondheid
vertoond had ?
11) Bilderduk zingt :
---- Oe witgevlakle Stier,
Die door *t weergalmend ruim van Golvans heide loeide,
Zie daar, waarom de wrok hun boezems dus ontgloeide.
Hem eigende elk van hen als vaderlijke haaf,
Ter wederzijde oprecht en even fier en braaf.