Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
relatieve stellingen geene aanduiding van geslacht, getal of
buiging, en hunue plaatsing, of wel de samenhang alleen,
moeten beslissen, tot welk lid van een' zin of volzin zij be-
trekking hebben. Gelukkig dat die samenhang ons hier en
zoo menige andere malen te hulpe komt! Moest in onzen
stijl alles s.iY'\ki-grammaticaal duidelijk zyn, dan ware er bijna
geene bladzijde, ook in do schriften onzer beste schrijvers,
aan te wijzen, welke niet door de eene of andere vlek van
dubbelzinnigheid bezoedeld werd.
MÜ valt b. v. op dit oogenblik een, in een' zeer zuiveren
stijl geschreven, stukje van een' onzer bekwaamste stijlisten
in handen. Ik lees er onder anderen in : De schriften van
Wagenaar, hoezeer anders mede tol mijn oogmerk kunnende
dienen, ga ik, als in ieders handen zijnde, met stilzwijgen
voorbij. Duidelijk genoeg en met eene onberispelijke woor-
denschikking gezegd, en echter, uit een louter grammaticaal
oogpunt beschouwd, en tegen den latijnschen stijl vergele-
ken, vol dubbelzinnigheid! Waarop slaat toch b. v. het
■participium of deelwoord kunnende? Op schriften, ofopW«-
genaar? Het kan, grammaticaal genomen, op beiden slaan;
want het heeft geen declinatieteeken, waarom men het slechts
bij een van beiden zoude mogen voegen; en wat de plaat-
hing betreft, ook volgens deze pleit er evenveel voor de
verbinding met het eerste als met het laatste woord. Hier
behoort het nu bij schriften, maar in een' zin, als b. v.
de gelukzaligheid des menschen, hoe luttel ook, als een
zivak sterveling, aan zijn ijzeren noodlot tegenstand kun-
nende bieden, hangt toch altijd meer of min van hem zeiven
of — oen' zin, welke door niemand gegispt kan worden —
slaat het woord kunnende allerduidelijkst op menschen, dat
evenwel hier op dezelfde wijze geplaatst is, als het boven-
genoemde Wagenaar. — En waarop heeft als in ieders handen
zijnde betrekking, op de schriften, of op ik? Op de schriften
roepen de zin en ieder verstandig lezer mij toe. Maar ook
deze samenhang, met uw verlof, lezer! doet zulks alleen;
want aan het onverbuigbare zijnde, dat bijna nimmer van