Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
past te dezen opzichte behoedzaamheid, als de nominalivus, die
met behulp van het werkwoord zulk een' accusativus regeert, met
het teeken zijns naamvals te voorschijn treedt. Schoon toch in
het laatste geval zulk eene woordenwisseling, bij nadere be-
zichtiging, duidelijk genoeg wordt, ligt zij echter aanvankelijk
in duisternis gedompeld, en veroorzaakt misverstand on onze-
kerheid. Uit heeft b. v. plaats met het volgende tweeregelige
puntdicht van huygens, hetwelk — ten minste bij den eersten
oogopslag — vrij wat onverstaanbaars heeft. De Dichter zingt:
My dunkt, de wereld noemde een wijs man wel te recht
De tafel van Gods thien geboden averecht.
In den beginne zal men meenen, dat de wereld hier de noe-
mende persoon, en dus de nominativus, een wijs man iategeu-
deel de accusativus, dat is, de hier genoemd wordende per-
soon, is. Hoe echter een wgs man juist het tegenovergestelde
van de tien geboden zou kunnen heeteu, zal men niet gemak-
kelijk begrijpen. Spoedig evenwel zal men leeren inzien, dat
het de wijze man hier is, die de wereld, en niet de wereld,
die den wijzen man de omgekeerde tafel van Gods geboden
noemt, en dat zulks ook grammaticaal daaruit blijken kan,
wijl er een wijs man en niet cenEtf wi/zen of oen' wijs' man
geschreven staat, zooals wij, in onzen tegenwoordigen stijl,
den vierden naamval gewoon zijn uit te drukken. Wij herhalen
het echter: men moet zich voor dergelijke schijnbaar dubbelzin-
nige constructiëu, zooveel mogelijk in poëzie, maar nog dui-
zendwerf meer iu proza wachten. Soortgelijke dubbelzinnig-
heden en duisterheden kunnen ook ontstaan door de verkeerde
plaatsing onzer bijwoorden, koppelwoorden en andere klei-
nere rededeelen. Zoo ook door aan onze betrekkelijke voor-
naamwoorden of pronomina relativa hunne juiste plaats niet
te geven, en wat dergelijke feilen meer zijn, waarover iu
het vervolg van dit handboek nog wel met een woord nader
gesproken zal worden.
Met onze participia ot deelwoorden zij men ook op zijuc
hoede. Zij hebben, gel^k hierboven gezegd is, in zoogenaamde