Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
194
23) Waarom mag over het algemeen de caesuur bij ons niet in
de middelrust van een versregel, met name van de alexandrijn-
sche verzen , vallen ? Wat valt er meer van de rust in onze ver-
zen te zeggen ?
24) Wat is de reden, dat de zoogenaamde synaloepha of ver-
smelting der stomme e in de beginvocaal van een volgend woord
(waarvan in § 204) geen regel der prosodie bij onze naaste taalver-
wanten , de Hoogduitschers, is ? Hoe is het met andere talen te
dezen aanzien gelegen ?
25) Hebben wij bij onze dichters geene voorbeelden der zooge-
naamde systole en diastole?
26) Wat valt ten aanzien van het rijm
soorten van poëzie is het noodzakelijk ? In
het kunnen missen ? Van wie is het rijm
het in de oudste duitsche gedichten aan,
te zeggen ? In welke
wat andere zoude men
afkomstig? Treft men
en wat valt omtrent de
1 I
f
zoogenaamde alliteratie in de oud-duitsche en noordsche poëzie,
alsmede over de assonanti'én in spaansche en andere gedichten, aan
te merken? Waarom hebben de Ouden het rijm nimmer gebe-
zigd» of zijn er ook eenige sporen van rijm bij hen aan te treffen?
Welke hedendaagsche europeesche natiën maken het meeste werk
van rijmelooze verzen ? Wie hebben ze bij ons verdedigd ? Welke
versmaten zijn voor rijmeloosheid het meest geschikt? Zouden
rijmelooze Alexandrijnen goed klinken ? Vindt men ook bij huygens,
hooft en andere vroegere en latere dichters rijmelooze verzen?
enz. enz.
27) Apen rijmt op rapen, maar ook op schrapen; eeuiven op
geeuwen, maar ook op hreeuwen, schreeuwen enz. Is het volko-
men hetzelfde , of er op die wijze ééne, dan wel meer letters de
eigenlijke rijmklanken voorafgaan , en wat is de algemeene rijm-
regel ?
28) Waarom mag ei op ij bg ons niet rijmen, b.v. fun niet op
rEiM , %o¥.\den op luden? Is daar volgens de tegenwoordige uitspraak
nog veel reden voor? Waarom rijmen onze dichters nog wel eens
hart op werd, ontfermen op erbarmen enz. ?
29) Wat is de reden, dat onze poëzie tegenwoordig geene zooge-
naamde rijke of voile rijmen {des rimes riches bij de Franschen)
duldt?
30) De Franschen spreken van rijmen voor het oor en het oog.
Komt dat onderscheid ook bij ons te pas?
31) Heeft men bij onze dichters ook nog andere soorten van