Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
193
45) Wat kan nader dienen tot opheldering van het zeggen in
§ 193, dat wij onze het meest voorkomende versmaten slechts naar
jamben en trochaeën afmeten , en hebben wij evenwel niet enkele
verssoorten, die volstrekt naar andere voeten, b.v. naar dactylische ,
moeten gescandeerd worden ?
16) Wat valt er aan te merken over de hoogduitsche navolgin-
gen van de versmaten der Ouden, en uit welken hoofde zijn
die, hoe fraai en prijzenswaardig ook, altijd nog in vele opzich-
ten echter gebrekkig, in vergelgking van die oude voetmaten
zelve ?
17) Waarom zijn metdatal dergelijke navolgingen van de rijm-
looze versmaten der Ouden, met name van hunne hexameters , in
sommige soorten van poëzie (gelijk b.v. in dichtstukken , als die in
§ 193 genoemd zijn) boven de meeste onzer rijmende versmaten
verkieslijk ?
18) Op welke gronden zoude eene bepaalde en vaste quantiteit
van al onze syllaben moeten berusten, en in hoeveel klassen van
lange , korte en tweeslachtige {ancipites) zoude men die syllaben
kunnen verdeelen ? Welke zwarigheden doen er zich echter tegen
eene zoodanige berekening onzer lettergrepen op ? Zou men hierbij
ook acht op onzen klemtoon moeten geven , of zou men zulk eene
quantiteit kunnen verkrijgen door bloot den gezegden klemtoon tot
maatstaf te nemen (gelijk dit laatste b.v. van alphen gewild
heeft)?
19) Welke zijn de verschillende beteekenissen, die men aan het
vrij duistere woord rhythmus al zoo gewoon is te geven? Waarin
verschillen metrum en rhythmus van elkander?
20) Waarom zoude het, als wij bloot het accent tot maatstaf
nemen , voor ons moeijelgk zijn, de verschillende versvoeten der
Ouden in onze taal aan te wijzen ? Wat kan nader tot ophelde-
ring dienen van de stelling, dat, volgens onzen klemtoon, woor-
den , als daar zijn: nachtlamp , toortsgloed , Jterkkraai en andere
soortgelijke meer, geene recht zuivere spondaeën zijn, enz, enz.
21) Wat dient tot opheldering van de bepalingen, in §§195
en 197 van de woorden versmaat, voet, vers, gedicht enz. ge-
geven ?
22) Wat is er nader over de zoogenaamde caesuur of de snij-
ding der verzen op te merken ? Welke soorten van caesuren zijn
de bevalligste? Door welke voorbeelden Iaat zich deze leer ophel
deren enz.?
II. 13