Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
189
is in het oude kasteel ter rust gegaan ; middernacht heeft
geslagen) :
— — _ — — En nu .. . een dof gejammerd: »lüee /"
Schijnt, meer dan menschelijk, den burgmuur uit te varen,
Waaraan de nachtvlam blaauwt! — ritselen van blaren.
Door herfstwind zaamgejaagd, zoo hoort hij H in den wand.
Hij loert er angstig heen, en eene ontvleeschte hand
Breekt uit den steen, en wenkt met opgestoken vinger.
Zij wenkt nog eens; nog eens l — Daar zwiert, met wild gesUnger,
De lamp ter aarde, en straalt op bloed, aan 7 bed geplengd l
Een doodsrif staat er hij ! Enz.
6) Stoor u in vele gevallen niet aan den regel, welken de
Franschen in hunne alexandrijnsche verzen nauwkeurig op-
volgen, om namelijk niet te enjamheeren of over te springen.
Zulk een enjambement, overspro7ig of rfooHoop heeft er plaats,
wanneer het laatste woord, of de laatste woorden, van een'
versregel door zin en rhythmus onmiddellijk met de begin-
woorden des volgenden in verband staan; zoodat de eene
regel, als het ware, in den anderen doorschiet, en in éénen
adem moet voortgelezen worden. Men heeft b.v. zulk een
oversprong in de volgende dichtregels van vondel :
Gelyck een waterstroom gewelt haert op een sluis,
En elx gehoor verdooft met ysselyck gedruisch ;
De deuren kanten zich geweldigh tegen 't wringen
Des springvloets, voor een wijl, tot dat zy open springen.
En geven 't water ruimt', den springvloet vrijen toom;
Die wint dan velt, en ruckt de wortels met den boom.
En huis en hof omveer, en zet de lage landen
In eene baere zee met groene en nieuwe stranden.
Inzonderheid springt hier de derde in den vierden regel over,
want de woorden wringen des springvloeds zijn onafscheidelijk
saamverbonden. Aldus enjambeert in de volgendo dichterlijke
ver/en van onzen grooten bilderduk, waarin het allereerste