Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
187
§ 211.
Wfl vervallen echter in uitweidingen, waarvoor het hier de
plaats niet is. — Genoeg! De alexandrijnsche versmaat is nu
eenmaal bij ons, gelijk bij de Franscheu en meer andere na-
tiën, aangenomen, en heeft dan toch ook, welke haar ge-
breken zijn mogen, van den anderen kant hare schoonheden;
schoonheden, die b.v. de jamben der Engelschen en Hoog-
duitschers, en wat dergelijke versmaten meer zijn, weêr niet
bezitten. Men trekke dus van deze maat slechts zooveel partij,
en make ze slechts in hare soort zoo volkomen, als mogelijk.
Wat er van gemaakt kan worden, heeft de groote vondel
misschien reeds boven allen getoond. Te haren aanzien
voorts gelden onder andere de volgende voorschriften:
1) Tracht in de caesuur der Alexandrijnen telkens afwisse-
ling te brengen. Hoeveel en welk eene afwisselende snijding
is er b.v. in de zoo even aangehaalde verzen van kinker,
hoe weinig en vooral welk eene eentonige in die van cats !
2) Gebruik zelden voeten, die geheel tegen onzen klemtoon
indruischen.
3) Breng over het algemeen de rust, welke na den derden
voet of na het eerste hemistichium invalt, niet midden in een
woord, tenzij de overschietende lettergreep op eene stomme
of zachtkorte e eindige, en met de beginvocaal des vierden
voets ineensmelte. Dit laatste b.v. is het geval in twee der
schoone verzen van helmers:
ó Gij, wiens JVeêrlandseh hart voor Neèrlands heil blijft slaan.
Plaats it met mij aan 't strand van d' eeuw'gen Oceaan!
Beklim met mij dit duin, zie van zijn hoogte neder.
Herroep daar nevens mij de vorige eeuwen weder!
Ja! 'k hoor de baren hier zich brijz'len op het strand,
Maar ach ! geen golfje voert een schip naar 't vaderland !
Thans zwerft een eenzaam hulk |{ je op de onbevolkte baren.
Waar eertijds 't loflied klonk van onze waterscharen ;
Thans schetst een nietig pink \\ ie, aan mijn verscheurden geest
De honderd schepen, die hier eertijds zijn geweest.