Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
184
Zij stort zich op dc kar, schier onder 't nat bedolven;
De paarden trappelen, en strijden met de golven;
De manen rijzen op, van H bruisend zout bespat.
En schudden ''t lillend schuim, als vlokken, over Hnat;
Het vaartuig zwaait en helt en waggelt op zijn assen;
Het is 't baldadig spel der hobbelende plassen;
jSu heft de God zich op, daar hij den zeestaf drilt.
De rotsen zijn getemd, de haren zijn gestild,
§ 210.
De quantiteit dezer syllaben wordt gewoonlijk slechts naar
het woord-accent berekend, en wel indiervoege, dat de
eerste lettergreep volgens dien klemtoon eenigszins kort, de
tweede meer lang is; met andere woorden, dat elk der zes
voeten uit eene soort van jambus bestaat. Wij herhalen toch
het hierboven gezegde, dat, welke andere soort van voeten
men in de alexandrijnsche verzen zoeken wil, de vaste en re-
gelmatige scansie dier verzen alleen naar zulke jamben kan
plaats hebben. Vandaar voorts, dat de volgende dichtregels
ons stuiten:
Vader, | heb deernis toch, zie me op mijn knieën smeeken!
Moeder, | zie mijn berouw, zie mijne tranen leken !
Zij stuiten ons, omdat hier de tweede lettergreep in vader
en moeder, die volgens onze uitspraak kort en meer ot min
gelijk aan de laatste syllabe van een' trochaeus is, door de
maat van het vers lang wordt gemaakt, en bij het scandeeren
niet anders, dan met verheffing en nadruk van stem, als de
laatste van een' jambus kan worden uitgesproken. Nog meer
ergert ons de tweede der volgende regels, niettegenstaande
hg evenals ieder andere alexandrijnsche vrouwelijke of slee-
pende versregel, uit dertien syllaben bestaat:
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1112 13
Ik lig I hier diep \ in 't stof | voor u \ ter neêr \ ge bo \ gen.