Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
181
4) Men rijmt ook, schoon de rijmende lettergrepen elk in
het bijzonder tot twee verschillende woorden behooren. Ten
voorbeeld diene het volgende puntdicht van huygens:
Arme Dirck!
Wat klaeghi ghy, seid' ick, Dirck? — Wy worden dat gekkRU moe.
lek, seid' hy, ben, die 'tlijd; en maeckt u mijn a/arm moe,
Veel etens maeckte my voor desen maegh en c^arm moe;
Soo moet ick aen de ploegh, of ick verging van armoè ;
En ploegh ick ginds en weêr, soo werd ick het geswkmi moe,
Want ick ben 't ongewoon, en armoe maeckt mijn* arm moe.
Zoo heeft huygens zelfs een soortgelijk rijm met drie letter-
grepen, als hij zingt:
Hy leeft gelijck men leeft, daer 't leven leven is,
Daer voor- noch achterdenck, daer geen geBEEF en is.
En op eene andere plaats:
Denckt, dichters, die u haest, welck best in 't rfuren houdt,
Dat langsaem wast, als eick, of ras als vuren hout.
5) Men drage zorg, in een' versregel de middelsjllabe
niet te laten rijmen op de eindsyllabe, iets, dat onwelluidend
klinkt; b.v.:
Ik hoorde plotsling toen, gedoken in het groen.
Het rammHen van de trom, H geschal der krijgsklaroen^
En 't dreunend kletteren van ijz'ren paardehoeven,
Intusschen hebben er onze dichters hier en daar wel eens
behagen in geschept, om de middel-lettergreep van een' vers-
regel op diezelfde syllabe van een' volgenden te doen rijmen,
en daardoor en een middelrijm en een eindrgm te weeg te
brengen.