Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
175
<lit voorschrift niet onbillijk, en der welluidendheid bevor-
derlijk. Somtijds echter kan het gepast zijn, daarop geen
acht te slaan. B.v. de volgende regels, die het mij vergund
zij, uit een gedicht van mijzelven aan te halen, verliezen er,
wat voor het overige hunne gebreken zijn mogen, niet door,
dat de caesuur in den laatyten de middelrust treft:
Waar is die koning thans, die in zijn dronken waan
Sprak: ik zal diep in 't noord, hoog boven zon en maan.
Hoog boven *t maatloos ruim der gouden star gewesten.
Gelijk aan de eeuw'ge Goón, mijn^ vorstenzetel vesten?
Ja, in den afgrondt — in den afgrond zonk hij neêr!
Hij scheen een God! — Zijne u\\re sloeg! — Niets was hij
meer! — Enz.
§ 204.
Scandeeren of voetsplitsen noemt men een vers naar zijne
voeten lezen. In de latijnsche prosodie spreekt men by die
gelegenheid van de zoogenaamde synaloepha, ecthlipsis, diae-
resis, synecphonesis, systole en diastole, sommige van welke
figuren ook in onze verzen meer of min van toepassing zyn.
Oe synaloepha of samensmelting b.v. heeft bij ons plaats,
wanneer een woord, mefc eene zoogenaamde stomme of zacht-
korte e eindigende, een ander woord voorafgaat, dat mei
eene vocaal begint. In dit geval is het in onze hollandsche
prosodie een vaste regel, dat de gezegde e in de volgende
begin-vocaal wegsmelte, en met haar slechts ééne lettergreep
uitmake. Dit gebeurt b.v. drie keeren in de volgende aan-
doenlijk schoone regels uit het slot der Hollandsche Natie
van HELMERS:
Gelukkig, zoo mijn zang, als ik niet meer zal wezen^
Slechts door mijn kinderen wordt in eenzaamheid gelezen;
Zoo mijm'rejid dan mijn kroost nog aan den vader denkt.
En, dankbaar voor dees zang, mijn\h ksch zijn tranen schenkt.
6 G^, in wie ik leef en adem, ó mijn zonen!