Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
168
Glansend en glad is zijn haii\ zijn naam is Sulin-Sifadda.
Voor den loagen, ter stinker, ziet men den snuivenden viervoet,
Dunner van manen,hoogsleigrend van hals,wiens geweldige hoeven
Alles verplettren, den snellen, den springenden kiveekling des
heuvels,
't Hos, bij de stormende zonen des zweerds Dusronnal geheeten.
§ 194.
Hoezeer voor het overige onze meeste lettergrepen in
het tegenwoordige gebruik nog geene vaste quantiteit
(voor zoover wij dat woord iu den zin der Ouden nomen)
hebben, neemt zulks niet weg, dat zij er niet misschien
vatbaar voor zyn zouden, en dat de graad van lengte of
kortheid, welke iedere lettergreep voor het gehoor in de
uitspraak bij ons hebben moet, en voor een fijn luisterend
oor werkelijk heeft, niet meer of rain op toonkunstige, of
op wat andere soortgelijke gronden zoude kunnen worden
vastgesteld. Een beroemd Geleerde hier te lande heeft over
dit onderwerp en hetgene er mede in betrekking staat eene
uitmuntende verhandeling geschreven, over wier inhoud
het thans echter de plaats niet is verder uit te weiden.
Zie hier slechts eenige verzen, door hem vervaardigd, waarin
elke syllabe, naar eene op muzikale gronden gebouwde
theorie, als lang, kort, of onzijdig gebruikt is geworden.
Aldus, te weten, luiden eenige regels uit zijn gedeelte
eener vertaling van het zesde boek der Aeneïs van virgilius.
(Aeneas daalt met de Sibylle af naar het schimmenrijk:)
Links af geleidt hen de weg straks naar de Aeherontisehe stroomen,
Waar de eeuwig bruisende draaikolk kookt, en in dringenden
arbeid
'< Zwarte Coeytisehe zand parsend en al opwellende uitbraakt.
De afschrikwekkende Charon, de oude en grijsbaardige Veerman,
Norsch van gelaat en met slijk overdekt, voert hier het gebied; zijn
Fonklend oog staat wild, dreigend de onbeweeglijke wenkhraauw;
't Slordig gewaad hangt achtloos slingrend langs zijne schoudren,