Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
162
klanknabootsing en wat dies meer zij ? Hoe moet men b.v. het geluid
van ons aai beschouwen » van ons oei, ooi, ieu, eeu en sooi tgelijke
diphthongen? Wat drukken zij uit? Wat is hunne muzikale waar-
dij? Zijn zij zacht, hard enz. enz.? Wat is onze aa, ee, oo enz.?
6) In de meeste talen heerscht de eene vocaal meer dan de andere,
gelijk b.v. in het Fransch de zoogenaamde stomme of doffe e, in het
Italiaansch de i, o, a enz. Welke vocalen komen bij ons het meest voor''
7) Welke soorten van vocalen en consonanten in het algemeer»
geven, bij elkander gevoegd, de welluiderdsie, liefelijkste en klank-
rijkste letterverbindingen ?
8) Welke bijeenvoegingen onzer consonanten in het bijzonder zijii
meer of min zacht, welke integendeel meer of min hard, scherp .
wreed, schor, ruw, stroefklinkend te noemen ? Wat drukt ons sp
uit? Wat ons fes,
zw
sm , dw , tm, (dat, wel te verstaan ,
twee syllaben bij ons veronderstelt, zooals dat ook het geval is
met gm, tkn, akn), sch, schr, mp, spl, wr, m, kn enz?
9) Het Fransch heeit een aantal klanken, die wij in àebeschaafde
uitspraak onzer taal niet hebben — b.v., om er maar één' te noe-
men , den klank der o in het fransche mort , encore, dien der oi
jn voir y soir, dien der ai in naître, maître en wat dies meer zij,—
is het Nederlandsch desniettegenstaande rijk in verscheidenheid van
klanken te heeten?
10) Hoe komt het, dat dezelfde klanken in de eene taal voor zoo
beschaafd gehouden en telkens gebruikt, in de andere integendeel
aan de dialecten der ruwe volksklassen overgelaten worden , gelijk
b.v. de zoo evengemelde klank van o ieder oogenbhk in het Franscb
voorkomt, maar bij ons en de Hoogduitschers slechts uit den mond
van het gemeen gehoord wordt ? Waardoor is diezelfde klank ook
bij de Denen en Zweden zoo geliefd?
11) Is het weinig suizende en lispelende, dat onze taal heeft ,
harer zoetvloeijendheid voor- of nadeelig? Welke taal zoude in haie
uitspraak geschikter zijn voor den eigenlijk gezegden redenaar, (b.v.
den kansel-redenaar, balie-redenaar enz.) — het Fransch , het Hoog-
duitsch of het Nederlandsch ?
12) Uit welken hoofde kan men het Nederlandsch eene taal noe-
men , geschikt voor de declamatie ?
13) Hoe kan men in den stijl, vooral in dien der poëzie, zacht-
heid en welluidendheid bevorderen? Waardoor is b.v. het aange-
haalde versje van nieuwlano zoo zoetvloeijend? VVelke klanken
zouden er nog in kunnen verzacht worden? enz,
14) Wat voorbeelden laten er zich aanvoeren van eene zekere