Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
161
enz., die allen door de Hoogduitschers dikwerf ook in den
deftigen stijl gebezigd worden, in een' stijl, waarin men zich
bij ons van ons kop, koptuig, boef, muil enz. nimmer zoude
kunnen bedienen, zonder aan kiesche lezers aanstoot te geven.
Maar genoeg van dit eene en andere! Wij hebben ons by
de kleinigheden, in deze en een paar voorgaande § § bevat,
slechts opgehouden, om jongen lieden te doen zien, hoe ge-
makkelijk het valt, den schimp, dien domme Franschen en
Hoogduitschers zich maar al te dikwerf tegen onze taal ver-
oorloven, hun met woeker terug te geven.
§ 188.
Wij zouden hier nog over andere eigenschappen onzer taal
kunnen handelen ; maar het aangestipte is voor het bestek
van ons handboek reeds moer dan genoeg. ~ Nog eenige vra-
gen volgen hier, om bij gelegenheid te beantwoorden.
1) Zijn in de talen kracht, klankrijkheid en hardheid hetzelfde ,
en is weekheid en weekelijkheid van éénen aard met zachtheid en
zoetvloeijendheid ?
2) Waaraan moet men het toeschrijven , dat de eene taal zooveel
zachter is, dan de andere, en dat dit zelfs plaats heeft in talen ,
wier grondgebied onmiddellijk aan elkander grenst, ja, in de dialec-
ten van ééne en dezelfde spraak ?
3) Waarin is het zachte en zangerige van het Italiaansch gelegen .
en in hoever is dfze taal soms wel eens al te zacht, te weekelijk
en eentonig?
4) Waaraan moet men het toeschiijven , dat de italiaansche taal
zulk eene groote neiging tot zachtheid en zoetvloeijendheid heeft,
terwijl dit in het Latijn toch zoozeer het geval niet is, en men uit
de vermenging der laatstgemelde taal en der oud-italiaansche volks-
dialecten met de forsche tongvallen der noordsche veroveraars, (aan
welke vermenging het Italiaansch zijn' oorsprong te danken heeft)
de teelt eener taal van een' geheel anderen aard verwacht zoude
hebben ?
5) Welke is de werktuigelijke natuur (he* mechanismus) onzer
nederlandsche letterverbindingen en der daardoor gevormd wordende
klanken, beschouwd in betrekking tot kracht, zoetvloeijendheid,
II. 11