Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
148
bij het woord donder gevoegd wordt, de zaak ten eenen malfr
voor het gehoor af, en doet zulks, juist door zijne keelrog-
cheling, veel meer, dan wanneer de sch hier suizend op der
Hoogduitscheren wijze, dat is, ongeveer als sj of shj, werd
uitgesproken. Dit geldt ook van kraakt, barst, brult, dreunt,
bonst, schreeuwt en andere soortgelijke woorden, waarin
slechts eene enkele vocaal of diphthong een half dozijn con-
sonanten bezielen en voortstuwen moet. — Der zinsnede b.v. :
schor kraakt en harst de donder uit de wolken; bonzend van
de eene op de andere, doorbrult hij het luchtruim; de grond
dreunt, schokt en scheurt enz. faalt het gewis niet aan klank-
nabootsende en in het oor donderende sterkte. Indiervoege
is ons wraak, wrok, wat den klank aangaat, een veel schil-
derachtiger en nadrukkelijker woord, dan hetgene de Italianen
ter aanduiding van hetzelfde denkbeeld gebruiken, namelijk
hun week en verwijfd vindetta, dat zij uit het latijnsche
vindicta gevormd hebben, met weglating der c voor de f»
daar ct namelijk voor hun gehoor te stroef klonk. Op dezelfde
wijze toch maken zij in hunne filomeelentaal Alexandcr tot
Alessandro, Florentia tot Fiorenza of Firenza, clamare tot
chiamare. Immers de letterverbindingen ct, x; ft, cl en soort-
gelijke, worden door het hoogst teedere en verfijnde, ja schier
öververfijnde, dat is, verweekelijkte en vertroetelde italiaan-
sche oor verworpen. Mollige spraakgeluiden nu mogen dan
zeer goed zijn, als men aan de knieën van een schoon meisje
verzuchtingen der liefde uitlispelen wil; maar als eene taal
door den klank harer woorden de natuur in hare woestheid
en verschrikkelijkheid poogt na te bauwen, dan komen zulke
kwijnende harmonicatonen evenmin te pas, als de zacht doe-
delende herderspijp bij het gedonder der kartouwen, bij der
rossen dreunend hoefgetrappel, en bij het kletteren van
zwaarden en spiesen, in de ure des bloeds, des moords en
der slachting. Zelfs ons zoo even aangehaalde ivraak is dus
in zijnen aard nog gepaster en krachtiger, dan het hoog-
duitsche Rache, dat daarmede (vergelijk hierboven § 18) van
^énen oorsprong is. Hetzelfde geldt van ons wroeging, dat uit