Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
ma
11
ders stond, b. v. trouwt, dat is vertrouwt, ieder niet te wel.
Het pronomen dien toch, dat door de aangehechte n het ken-
merk des accusativus of vierden naamvals draagt, zoude ons
altijd leeren, dat de zin is: iedereen vertrouwt niet al te wel
dien uil enz. In het Fransch integendeel zoude bij zulk eene
woordenschikking eene volslagen dubbelzinnigheid heerschen,
daar do woorden, (nu maar platweg en letterlek zoo wat
vertaald) ce benêt, cette béte qui jure toujours par Ie eiel et
l'enfer connait chacun trés hien, niet anders zouden kunnen
beteekenen, dan: die uil, die ezel, kent iedereen zeer wel, en
niet iedereen kent dieti uil, diet^ ezel zeer wel. De plaatsing
moet hier alles beslissen; want ce benêt, eet ane, ce lourdaud
kunnen zoowel eerste, als vierde naamvallen zijn. — In de vrou-
welijke en onzijdige substantieven is zulks echter ook bij ons
het geval. Kan men b. v. in het Latijn zeggen: mulierem B
amat muiier A, zonder dat het evenwel dubbelziunig zij, dat
vrouw A de beminnende, en vrouw B de beminde persoon
is, zoo gaat dit bij ons volstrekt niet. Wilden wij toch de
latijnsche woordenschikking blijven behouden en vertalen:
vrouw B bemint vrouw A, zoo zoude natuurlijk een ieder dit
niet anders verstaan kunnen, dan dat vrouw A de beminde
persoon, vrouw B de beminnende, gevolgelijk vrouw A de
vierde, en vrouw B de eerste naamval was.
Misschien ligt ook in den vorm van den genitivus oi Uiee-
den naamval, dien wij nog meer of min in onze substantieven
zelve (b. v. des vaders, des paards) hebben, en waarover in
§ 58 gesproken is, eene kleine roden van de vrijheid onzer
woordenschikking boven die der Franschen opgesloten. Daar-
door toch laat zich op eene gemakkelijke wijze, en zonder
dat men het lidwoord behoeft te bezigen, het substantief,
in den tweeden naamval staande, vóór het substantief plaat-
sen, dat in den eersten staat.
Metdatal wordt door dergelijke kleinigheden nog niet ten
eenenmale opgehelderd het groote onderscheid, dat er tus-
schen de fransche en nederlandsche woordenschikking, wat
het punt van vrijheid betreft, gevonden wordt.