Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
142
keu ik eens, aardigheidshalve , uit eenige stroef en barsch
klinkende hoogduitsche woorden bijeeugelapt heb: Das
Strick- oder Strumpfstrickersyarn der Magd des Dorfpfarr-
herrn zerbrach, — Es sprach gleich drauf erschrocken der
starrköpfige Pfafjenfreund, der Propst, zum grobgliederigen
Gärtner, welcher im Pferche mit dem Propfmesser, vom
Pflocke genommen , das Propfreis nicht impfte , und pflicht-
hrüchig im Garten die Früchte der Pfirsichbäumchen zur
rechten Zeit nicht abpflückte: Tropf, der du bist! Het ver-
staat zich vanzelve, dat ik hier de allerhardste woorden
uitgezocht heb; maar dit moge een Hoogduitscher, over
welk onderwerp hij nu maar wil, in het Hollandsch ook
doen. Duitsche geleerden hebben deze neiging, welke
onze taal hier en daar boven het Hoogduitsch tot zacht-
heid heeft, ook wel gevoeld. In de voorlezingen hierover
nader. Met dit al is het, als men billijk zijn wil, niet
te ontkennen, dat wij enkele hardheden in onze spraak heb-
ben , die het Hoogduitsch niet bezoedelen, en dat men vooral
deze laatstgemelde klankrijke, krachtige en overrijke taal niet
moet beoordeelen naar de rampzalige wijze, waarop sommi-
gen haar in de uitspraak radbraken. Onze g, b.v., heett een
scherper' keelklank, dan die der Hoogduitscheren, welke uit
dien hoofde, evenals de Franschen, nimmer goed in het uit-
spreken dier letter van ons abc slagen kunnen. Ook onze
sch, hoezeer het meest naar de oud-duitsche sk zweemende,
klinkt schor in vergelijking met dezelfde letterverbinding bij de
Hoogduitschers, in wier uitspraak, voor zoover deze laatste
zuiver saksisch is, de sch nagenoeg zoo wat als shj of sjh
luidt. De zacht-korte e missen wij op het einde van vele
woorden, welke haar in het Hoogduitsch nog behouden heb-
ben. Ook heeft het Hoogduitsch, hoe blazend en sissend het
in sommige opzichten zijn moge, echter tevens iets liefelijk-
suizends, waarin zich de invloed, dien het Italiaansch en de
slawische of slavonische talen (Foolsoh, Eussisch enz.) er op
gehad hebben, duidelijk openbaart, en dat onzer taal over
het geheel meer vreemd is. Verzen b.v., als de volgende,