Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
130
voor sergeant, wachthouder; voor kurassier, pantsermiter;
voor huzaar, snelruiter; voor lansier, lansruiter; voor kara-
binier, roer- of busruiter; voor soldaat, eenvoudig krijgs-
knecht; voor kanon, schietbuis (gelgk kanon, van het la-
tijnsohe canna, in den grond niets anders dan pijp, buis,
beteekent); voor bumbe, barstkogel enz.
Waartoe echter dat vertalen, daar al deze woorden zel-
den anders, dan iu den dagelijkschen stijl en in de taal
van het gemeene leven voorkomen, in welke beiden men —
gelijk Wfl hierboven in § 130 zagen — op het gebruik van
een onkel bastaardwoord zoo nauwgezet niet behoeft, en
ook zonder onverstaanbaar te worden, niet kan zijn. Wat
toch den hoogeren stijl der welsprekendheid of der dicht-
kunst betreft, in dezen heeft men zelden woorden voor al
de bovengemelde krijgsbedieningen en krijgswerktuigen noo-
dig. De redenaar of dichter toch zal al doorgaans genoeg
hebben aan die algemeene bewoordingen, welke de hoofd-
denkbeelden uitdrukken, b.v.: veldheer, geschut, leger,heir,
krijgsbevelhebber, ruiter, voetknecht, legertrein, bolwerk, smal-
deel, vaandel, ruiterdrom, voetbende, slagorde, in rotten scharen,
overste enz., zonder dat hij tot al de namen voor de on-
dersoorten dezer denkbeelden de toevlucht behoeft to nemen.
En is dit dan ook al bij eene enkele gelegenheid noodzake-
lijk, welnu, dan is eene vertaling of kleine omschrijving
licht gemaakt! Ten slotte zeggen wij met onzen beroemden
vaderlandschen dichter loots , wiens verzen dit paar vluch-
tige woorden over den rijkdom van het Nederlandsch be-
sluiten en verfraaijen mogen :
Één rijkdom, ja, zien we u ontbreken.
Maar 't is gemis, dat u vereert;
En ach! dat geene tong kost spreken.
Wat gij niet hebt als spraak geleerd !
Ach ! dat men in geen taal kost spellen
Het tuig , dat donders aan doet snellen ,
Noch rang der dienaars van den dood!