Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
123
5) Dat wij niet alleen woorden bezitten, om onze denk-
beelden in hunne uiterste en grove omtrekken aan te duiden ^
maar ook, om ze, tot in hunne fijnste schaduwingen en wen-
dingen, voor den geest af te malen.
6) Dat onze taal zeer rijk is in zoodanige schilderachtige
en leenspreukige of metaphorische uitdrukkingen, als eene
meer dan gewone levendigheid bezitten, en waarin zich de
oorspronkelijkheid en het jeugdige leven van het Neder-
landsch op eene luisterrijke wijze, en ver boven het Fransch,
openbaren. — Tot voorbeelden kunnen woorden strekken, als-
daar zijn: brooddronkenheid, opgeblazenheid, euvelmoed, door-
traptheid, geslepenheid, laatdunkendheid, vastberadenheid, kit-
teloorigheid, halsstarrigheid, losbandigheid, inhaligheid, ver-
waandheid, ellende, reikhalzing, lafhartigheid, baloorigheid, bald-
dadigheid, roekeloosheid, geestdrift, hartstocht, schraapzucht,
gierigheid, vrekheid, toomeloosheid, botheid, ervarenis, en hon-
derd soortgelijke, die allen de denkbeelden, welke zij uit-
drukken, zeer krachtig en verstaanbaar voorstellen.
7) Dat wij niet alleen uitdrukkingen bezitten, om de zaken
eenvoudig, maar ook om ze deftig en sierlijk voor te dragen,
zoodat wij (bij wijze van spreken) zoowel in een galakleed,
als in een dagelijksch huisgewaad te voorschijn kunnen tre-
den. — Hoe gepast-eenvoudig zijn b.v. de woorden van cats,
als hij, zinspelende op het gebruik, dat men van de beenderen
eens ezels fluiten maakt, en op de dartele wijze, volgens welke
het goud eens vrekken vaders, na 's laatsten afsterven, door
een' losbandigen zoon dikwerf verkwist wordt, aardig zingt:
Soo lang een esel leeft, soo draegt hij sware packen.
En eet noch evenwel alleen maer disteltakken,
Maer steekt hij eens de moort, daer fluyt men op het been,
Daer raest de malle jeugt en huppelt onder een.
Spaert, vrekke vader, spaert! u zoontjen komt ten lesten ;
Dat schinkt, en drinkt, en klinkt; dat geeft 'et al ten besten ^
Dat singt, en springt, en vinkt; dat vogelt, jaeqt, en vist. —
Ontijdelijk gespaert, onnuïtelijk gequist 1