Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
119
als daar zijn, Franschen, Engeischen, Hoogduitschers enz.? Zoo ja,
welke is dan de reden, dat desniettegenstaande die letterkunde zoo
weinig de aandacht van andere natiën tot zich trekt, en tot zich ge-
trokken heeft?
86) Wie zijn de volkeren, die door hunne letterkunde den mees ten
invloed op de onze hebben uitgeoefend?
87) Hebben sommige andere natiën, wat de opkomst en de bescha-
ving hunner letterkunde aangaat, ook het eene en andere aan de onze
te danken ?
88) Kan, onpartijdig gesproken, onze nederlandsche letterkunde
(voornamelijk onze poëzie en welsprekendheid) werkelijk op eenige
oorspronkelijkheid aanspraak maken, en zoo al, in hoever en waar-
door? Wat moet men door oorspronkelijkheid verstaan? Is shakespear
b. v., is corneille oorspronkelijker dichter dan vondel? Is de hoog-
duitsche poëzie, in hare grootere uitgestrektheid, zooveel oorspronke-
lijker, dat wil zeggen minder naar die van andere volkeren gebootst,
dan de nederlandsche in haren kleinen omvang? Mag men onze too-
neelpoëzie, mag men onze epische en lyrische dichtstukken meer of
min oorspronkelijk heeten? Wie van onze dichters, of welke klasse
van gedichten verdienen den meesten lof van oorspronkelijkheid, met
andere woorden, van eenen, ons Nederlanderen bijzonder eigenen, en
in nederlandsche zeden en eene nederlandsche denkwijze gegronden
dichttrant ?
89) Heeft de afscheiding, die er tusschen de Noordelijke en Zui-
delijke Nederlanden wederom ontstaan is, eenen voor-, of nadeeligen
invloed op het volgende bestaan onzer taal en letterkunde uitge-
oefend? Is onze vereeniging met het Zuiden, na 1815, dier sprake en
letteren heilzaam of schadelijk geweast ?
90) Welke is de groote hinderpaal, die tot hiertoe eener zooge-
naamde europeesche vermaardheid onzer vaderlandsche taal en letter-
kunde altijd in den weg heeft gestaan, en vermoedelijk altijd wel in
den weg zal blijven staan? Enz. enz.
Iets over den rijkdom onzer taal.
§ 176.
Over den meerderen of minderen rijkdom van verschillende
talen te twisten, heeft in zeker opzicht zijne belagchelyke
zijde. Al boertende, zingt de geestige huygens :