Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
115
vroegste vernuften uit de zeventiende eeuw, die van gerbrand
aüriaansz. bredero (geb. 1585, gest. 1618), beschouwen ? Hoedanig
was over het algemeen de toestand en het heerschend karakter van
ons vaderlandsch tooneel in de vijftiende, zestiende, zeventiende en
achttiende eeuw?
60) Verdient hugo DE groot (geb. 1583, gest. 1645) ook onder de
nederlandsche letterkundigen, dal wil zeggen, die in het Nederlandsch
geschreven hebben, met eenigen lof vermeld te worden? En zoo ook
DANIEL HErNSius, kasper VAN BAERLE, benevens andere dergelijke,
ons anders meer door hunne latijnsche schriften bekende en alom
.beroemde, mannen ?
61) Welke zijn de schriften, welke de meerdere of mindere ver-
diensten van dirk raeelsz. camphuizen, johan van heemskerk,
jeremias de decker, daniel jonctijs , jan vos, gerard brandt,
gysbert japicx of jacobs, johannes vollenhove, willem van
focquenbroch, joachim oudaen, joan van broekhuizen, johannes
antonides van der goes, jan luiken, lucas rotgans en eene
wölke van andere hollandsche vernuften, die in den loop der zeven-
tiende eeuw, vroeger of later, gebloeid, en in nederlandsche poëzie
of proza geschreven hebben?
62) Kan men het er met recht voor houden, dal het nederlandsche
proza in de zeventiende, en voorts ook in de achttiende eeuw, met
een even gelukkig gevolg bij ons beoefend is geworden, als de ne-
derlandsche poëzie, en zoo niet, wat is hiervan dan de reden? Welke
goede pro/.aschrijvers, en in wat soorten van proza, heeft de zeven-
tiende eeuw opgeleverd? Hoe stond het in die eeuw bij ons met de
kanselwelsprekendheid, welke in Frankrijk toen zoozeer bloeide? Hoe
met de balie- en de slaatku»»dige welsprekendheid enz. enz.?
63) Door welke oorzaken vinden wij bij de nederlandsche dichters,
die tegen het laatste der zeventiende eeaw bloeiden,over het gemeen
minder vuur en geestverheffing, met andere woorden, minder stout-
heid, oorspronkelijkheid en levendigheid van poëzie, dan bij de vroe-
gere dichters dier eeuw? In wat opzicht zijn zij echter boven de
laatstgemelden te stellen ?
64) Hoedanig was de toestand der nederlandsche letterkunde in
hel begin en hel midden der achttiende eeuw, en waarin en waar«
door onderscheidde zich die toestand van dien, welke in het begin
der zeventiende eeuw plaats had gevonden?
65; Welken voor- of nadeeligen invloed hebben de veelvuldige
letterkundige genootschappen in ons vaderland op onze taal en let-
terkunde gehad?