Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
108
later bloeiden, en onder welke uuberi kornelisz. poot, Wil-
lem lange.nuijk, hoogvliet, smits, de van harens, van winter,
van merken en meer anderen bijzonder uitmunteden, onze
rechtmatige hulde niet ontzeggen. Denzelfden welverdienden
lof moeten wij aan die nederlandsche, hetzij theoretische,
hetzij practische letterkundigen geven, welke in den verderen
loop der achttiende eeuw den akker onzer spraak en letteren
meer en meer bearbeid hebben. Balthazar huydecoper, een
man van eene reusachtige geleerdheid in alles, wat tot de
geschiedenis onzes vaderlands betrekking heeft, een hoogst
scherpzinnig taalkenner, en tevens een goed dichter, verdient
onder hen eene eerste plaats. — Jammer maar, dat onzé taal
zelve in dat tijdperk bij het algemeen dikwerf nog weinig
op prijs gesteld werd, en dat zuiverheid en beschaafdheid
van stijl, gepaard met een' goeden' smaak in de welspre-
kendheid, velen openlijken redenaren niet zelden geheel vreemd
waren-. Jammer tevens, dat in de Zuidelijke Nederlanden de
heerschappü van het Fransch zich gestadig meer uitbreidde,
en daardoor de nederlandsche taal en letteren in die gewes-
ten steeds meer in verval geraakten. Des te luisterrijker
schittert onze tegenwoordige eeuw, waarin onze letterkunde,
■gelijk eene feniks uit hare asch verrezen is. Bellamy en
van alphen, feith en bilderduk waren op het einde der vo-
rige eeuw de wegbereiders voor een tijdvak der dichtkunst,
dat aan den bloei der zeventiende deed denken. De twee
laatstgenoemden stonden nog lang aan het hoofd en werden
door KINKER, HELMERS, TOLLENS, LOOTS, STARING, BOGAERS, DA
COSTA en anderen waardiglijk ter zijde gestaan. Het proza
bereikte een' hoogen trap van volkomenheid in de werken
van VAN DER PALM, BORGER, DERMOUT, BOSSCHA, VAN LENNEP,
enz.; terwijl de vlaamsche letterkunde, ten tijde van Belgiës
vereeniging met Nederland, en meer nog daarna zich voor-
deelig ontwikkelde, en roem kon dragen op mannen als
WILLEMS, VAN RIJSWIJCK, LEDFGANCK, DAVID, SNELI.AERT, SERRURE
en anderen. — Geve de Hemel, dat de nederlandsche lette-
ren gestadig in bloei toenemen, en ook de vreemdeling zal