Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
onverwelkelijke lauweren verworven hebben, als onze helden
te lande en ter zee door hunne glorierijke krijgsbedrijven.
Aan deze uitstekende mannen heeft onze taal het te danken,
dat zij tot den rang eener beschaafde taal verheven werd.
Door hen kreeg zij eerst recht die vaste geaardheid, dien
omvang, dien zwier, dat buigzame en lenige, welke zij tot
op den huidigen dag behouden heeft, en onze letterkunde
begon met voortbrengselen te prijken, waarvan sommigen
thans reeds den toets van twee eeuwen hebben doorgestaan,
en die, wat ook een veranderde en in sommige opzichten
misschien meer verfijnde smaak er in to gispen moge hebben,
bij voortduring zulk eene voedzame en smakelijke letterspij/.e
opleveren, dat iedere gezonde maag, wie van vele nieuw-
modische zoetigheden en liflafferijen de walg steekt, gaarne
en gretig telkens tot hen terugkeert.
§ 175.
Minder bloeijend vertoont zich onze taal- en letterkunde
in het laatste der zeventiende en in het begin der achttiende
eeuw. Vooringenomenheid met den smaak en de letterkun-
dige voortbrengselen der Pranschen, toenemende kleingeestig-
heid en eeii overdreven beuzelachtig en spitsvondig kunstbe-
jag, tot hetwelk de veelvuldig opgerichte lettergenootschappen
den grond begonnen te leggen, en in later tijd meer en
meer legden, deden waarheid, eenvoudigheid en kracht niet
zelden verdwijnen, en offerden het echt schoone en dichter-
lijke aan eene schijnbaar kunstmatige, maar in den grond
hoogst onkunstmatige, en slechts gekunstelde gladheid en
onpoëtische natuurlijkheid op. Metdatal waren hierop uitzon-
deringen. Ook moeten wij hetgene een verweb , moonen en
anderen, maar inzonderheid onze allerverdienstelijkste ten
kate, omstreeks het begin der achttiende eeuw, tot opbouw
van bespiegelende taalkennis gedaan hebben, dankbaar er-
kennen, en verder aan vele voortreffelijke dichters, die in
het eerste derde en tegen het midden dier eeuw, of ook wat