Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
mentrekkingen, b. v. wéér voor weder, teer voor teeder, voer
voor voeder. Zij is eene liefliebster van lang gerekte klan-
ken, van diphtbongen en triphthongen, b.v. aai, aau, ieui
ooi, oei, (vergelijk § 7). Zij spreekt de sch wel scherp en gor-
gelend, maar meer, dan het Hoogduitsch zulks doet, naar den
aard der oud-duitsche taal uit, — en wat dergelijke eigen-
aardigheden meer zijn. Hier en daar spreidt zij ten duidelijk-
ste den invloed ten toon, dien het Pransch op haar gehad
heeft, gelijk wij b. v. meer fransche uitgangen of zooge-
naamde achtervoegsels hebben, dan de Hoogduitschers ; (ver-
gelijk § 22) ; ook sommige lettereii op de fransche wijze
uitspreken, b.v. de u, de eu, de z enz. ; fransche gram-
maticale vormen en spraakwendingen bezigen ; aan een aan-
tal, den Hoogduitscheren onbekende fransche woorden hot
volle nederlandsche burgerrecht gegeven hebben, en wat dies
meer zij, waarover nader in de voorlezingen. Over het
algemeen heeft onze taal tegenwoordig het meest van die
dialecten, welke men de nederryusche, neder-saksische en
noordduitsche, of het Platduitsch noemt. In het groote
geheel echter onzer sprake, en iu de menigvuldige on-
beschaafde volkstongvallen onzes vaderlands heerschen zoo-
veel schaduwingen en schakeeringen, dat het ten uiterste
moeijelijk valt, eene in allen deele nauwkeurige beschrijving
van den oorsprong, den aard en het karakteristieke onzer
moedertaal te geven. Het ware wezen van het Nederlandsch
ligt toch alleen niet in onze tegenwoordige beschaafde en iu
vaste vormen geklonken schrijftaal opgesloten.
§ 172.
Nu een woord hier in het voorbygaan over onze eigenlijk
gezegde nederlandsche letterkunde of litteratuur! — De oudste
nederlandsche letterkundige voortbrengselen dagteekenen uit
de twaalfde eeuw; dat wil zeggen : in dat tijdperk zien wy
het eerst schrijvers te voorschijn treden, wier taal nu een vrij
zuiver, van de overige duitsche talen afgescheiden samenstel