Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
fragment van een lied, het lied va» llildebrand en Haduhrand
genaamd, dat, als oudste voortbrengsel van de dus genoemde
romantische ridderpodzie, hoogst merkwaardig is; het is
denkelijk uit de achtste eeuw; — de zoogenaamde Cotto-
niaausche Codex, misschien zoo wat van denzelfden tijd; — eene
berijmde harmonie of overeenstemming der vier Evangelisten,
van den Benedictijner monnik otfiued, uit de negende
eeuw; — een zegelied op de overwinning, door koning lode-
wijk den derden , Op de Noormaimen ten jare 881 bevoch-
ten ; — eene vertaling en verklaring der psalmen, door
notker, abt te St. Gallen, welke notker in het jaar 1022
gestorven is; — nog andere psalmen, in een vrij kennelijk
Nederduitsch geschreven, eerst door von der hagen uitge-
geven, en later door onze geleerde landgenooten \'phij en
clarisse vertaald en toegelicht, en vermoedelijk uit do ne-
gende eeuw; — eene harmonie der Evangeliën, (valschelijk
aan tatianus toegekend), uit het Latijn vertaald door een'
onbekende, uit de elfde eeuw; — eene paraphrasis of om-
schrijving van sai.omo's hooglied door willeramüs, abt te
Ebersberg in Beijeren, insgelijks uit de elfde eeuw; — eens
onbekenden lofgedicht op den heiligen anno, aartsbisschop
te Keulen, die ten jare 1075 stierf. — Verscheiden andere
stukken van minder belang, of wel van later tijd, gaan wij
met stilzwijgen voorbij.
§ 168.
Merkwaardig, zeidon wij, waren onder de oud-opperduitsche
tongvallen de zwavische dialecten. In dezen namelijk, die
tot een zeker beschaafd en met andere tongvallen vermengd
geheel gevormd, een' tijd lang de geliefde dichttaal voor
schier geheel Duitschland, ja zelfs meer of min voor de Ne-
derlanden schijnen geweest te zijn, treft men, van de tweede
helft der twaalfde tot diep in de dertiende eeuw, een aan-
tal van waarlijk fraaije dichterlijke voortbrengselen aan,
voornamelijk tot den minnezang, maar echter ook tot andere