Boekgegevens
Titel: Proeve van Platamsterdamsch
Auteur: Lennep, J. van; Halbertsma, J.H.
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1845
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6081
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201273
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Dialecten, Amsterdam (stad)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Proeve van Platamsterdamsch
Vorige scan Volgende scanScanned page
helpe. En wat denkje nou dat dat zwarte
was, da-ar ik men an vast hiel?
„ Wel! zeien ze, wie kan dat raaie?"
,5 Nou, zei ik, dan zal ik 't je zegge; 't
was de schaduw van de geut van 't hoekhois
an de overzei, die vlak teuge de poi scheen.
„ Nou, dat zei ook wa-ar weeze, zei San-
der; geloof jij dat, Gus?"
„ Och, zeit Geis, wat zek er veul van
zegge; 't kan makkelik wa-ar weeze, as ik
dat zoo eens na-adenk. Onze lieven Heer is
allemachtich."
Nou, ik zeie niks: 't was voor mijn al mis.
Wc namme nog een afzakkertje, en toe be-
gönne we, alweer voor de foef, Hein Rip te
pla-agen, en we vroegen em alzoo , wattie zen
koite toch wel te vreete gaf, dat zen haar
zoo krulde? — want je weet, Piet, Hein Rip
is 'n rechte poppegek met zen krulletjes en
zen scheijing in zen hooft, „Nou, zei ie, op
dat apperpoo zei ik je wat verteile. Laast
hat ik voor onze Mevrouw na de Fransche
kapper geweest in 't selon, en daar hat ie
mijn 'n prommenaadepot angesmeerd van acht
steuivers. Daar groeiden 't haar van zoo gaauw
men 't er op smeerde, zij de kapper. Nou,
ik dacht, ik kon 't rieskeeren ; an acht steui-
vers binne we niet bedurve. Daar most ik
met men volk na den Haag met de spoorweg;
ikke in de wegonn, en men volk in de diel-
zans. Daar komme we te Haarlem, en ik kijk
zoo rijs euiwt na de loopende motief: maar
net toitert de conterleur en we ganen vort,